Alias Paulus
Zo om de zoveel tijd verschijnt er een boek over een historisch onderwerp met een opzienbarende these die beweert een geheel nieuw licht te kunnen werpen op bijvoorbeeld de Maya's - dat waren kosmonauten, zoals elke zichzelf respecterende ufologist sinds Von Däniken weet - of op Jezus - die was volgens de Italiaanse auteur Carotta eigenlijk Caesar. Alleen over deze twee onderwerpen zijn al planken vol geschreven; dan heb ik het nog niet eens over de tientallen boeken over de geheime geschiedenis van Albigenzen, Tempeliers, Vrijmetselaars, geheime afstammelingen van Jezus - volgens één wel zeer volhardende revisionist vloeide het Hoogheilig Bloed via de Merovingen en de koningen van Schotland in de aderen van, jawel, de revisionist himself die en passant ook maar een claim legde op de Schotse troon. Hij schreef er verschillende boeken over en kreeg zelfs enkele mystificerende mede-revisionisten zo ver zijn wereldschokkende theorie te onderbouwen.
Talloze geheime schatten van Joden, Westgoten, Tempeliers en dergelijke liggen nog op ontdekking te wachten en wonderbaarlijk genoeg kenden alle slachtoffers van de Inquisitie tal van esoterische geheimen. Maar er verschijnt nooit eens een boek over de Tempeliers of de Albigenzen waarin de auteur beweert dat het eigenlijk nog grotere rotzakken waren dan de Paus wist, en dat het maar goed is dat al die samenzwerende booswichten op de brandstapel werden gezet.
Fifteen minutes of fameElke historicus loopt in zijn vakgebied wel eens tegen een revisionist aan - een vroeg-moderne tijd-specialist wordt soms geconfronteerd met esoterische mystificaties over Rozenkruizers en vrijmetselaars, een Tweede Wereldoorlog-specialist mag zich gaan buigen over dagboeken van Hitler en theorieën van Goldhagen, en een mediaevist kan zijn hart ophalen aan de honderden titels over Albigenzen en Tempeliers. Opnieuw valt op: niemand schrijft ooit eens een vergelijkbaar boek over - laten we zeggen - de Johannieters of de Hussieten.
Vooral in de Engelstalige wereld zien tal van revisionisten in een of ander onderwerp dat het grote publiek aanspreekt een shortcut naar al dan niet kortstondige faam en rijkdom. Maar ook Nederland kent zo zijn revisionisten. Meestal terecht spelen ze in de historische discipline een uiterst marginale rol: Iman Wilkens, die zijn fifteen minutes of fame verdiende met een nogal gezochte theorie dat de Trojaanse Oorlog zich eigenlijk in Zeeland en Zuid-Engeland zou hebben afgespeeld, en de inmiddels overleden archivaris Albert Delahaye, die op een gegeven moment begon te verkondigen dat de vroegmiddeleeuwse geschiedenis van Nederland en fabricatie was omdat Nederland toen praktisch onbewoonbaar zou zijn geweest. Hoewel hij een kleine schare trouwe volgelingen verwierf, is ook hij er niet in geslaagd de historische, archeologische, geologische en historisch-geografische goegemeente voor zijn theorie te winnen.
Een Romeinse James BondHet Nederlandse revisionistengilde lijkt er inmiddels een nieuw lid bij te hebben: Thijs Voskuilen, recent afgestudeerd aan de Universiteit van Groningen. Hij is ongebruikelijk jong; de meeste revisionisten zijn wat oudere mannen - vrouwen zitten er bijna niet tussen - die zelden een academische graad hebben in het vakgebied waar ze zich met hun revisionistisch schrijfsel wagen. Maar lef heeft Voskuilen wel: niemand minder dan Paulus van Tarsus, een van de pijlers van het christendom, is het onderwerp van zijn lijvige boek Alias Paulus. Zijn theorie liegt er niet om: Paulus was een spion die een religie bedacht om het Jodendom te ondermijnen en zo succesvol was dat zijn Romeinse opdrachtgevers er uiteindelijk eeuwen later hun staatsgodsdienst van maakten. Het hele bouwwerk van het christendom, dat heden ten dage nog meer dan een miljard aanhangers heeft, berust op een machiavellistische krijgslist van een Romeinse James Bond.
Niet onbelangrijk is bovendien dat Voskuilen wel een academische graad heeft behaald met zijn theorie: Voskuilen kreeg namelijk van niemand minder dan Frank Ankersmit een 9 voor zijn scriptie, waarin hij voor het eerst zijn theorie over Paulus uit de doeken deed.
De Paulinische furore begon echter al op 6 april 2002, nog voor zijn afstuderen, toen De Groene Amsterdammer voor het eerst aandacht besteedde aan Voskuilen en zijn these. 'Het gebeurt niet vaak dat een doctoraalscriptie tot enige beroering leidt', schreef René Zwaap in de Groene. Zwaap doelde daarmee niet alleen op Voskuilens these, maar ook op de literaire vorm van de scriptie. 'Voskuilen schreef zijn satirisch gestemde betoog namelijk deels in de vorm van een talkshow naar Amerikaans model waarin zijn alter ego het opneemt tegen een traditioneel denkende godsdiensthistoricus, en deels in de vorm van een filmscript' Volgens Zwaap waren er in Engeland zelfs al plannen voor verfilming van het script, maar de productiemaatschappij ging failliet. Voskuilen zou nu gaan werken aan een roman. Daarnaast zou hij de komende jaren gaan werken aan een promotie op basis van zijn onderzoeksgegevens. 'Kortom, eindelijk lijkt de Nederlandse historiografie "” die in de regel niet uitblinkt in sensatie "” weer eens een echt creatief talent in de gelederen te hebben dat ook internationaal de aandacht trekt' aldus Zwaap.
Een these met gatenNiet alleen De Groene besteedde aandacht aan Voskuilens scriptie. Ook de Groninger Universiteitskrant, waarvan Voskuilen ooit redacteur was, besteedde aandacht aan het op handen zijnde doctoraalexamen. 'Zijn scriptiebegeleider, geschiedtheoreticus prof.dr. Frank Ankersmit is overtuigd geraakt van deze revolutionaire nieuwe interpretatie van de Bijbel. Professor Bremmer erkent dat deze mogelijk is' aldus de Universiteitskrant. Ankersmit schreef als commentaar bij de scriptie 'zeer overtuigend, een prachtig betoog van een literair talent'. Voskuilen is niet zomaar een revisionist, zoveel was wel duidelijk.
In november 2002 kwam Voskuilens scriptie als lijvig boek op de markt. Ook nu kreeg zijn theorie volop aandacht. Niet zonder reden natuurlijk, want zoals Voskuilen tegen de Groningse Universiteitskrant zei: 'Het bleek dat niemand anders op deze manier tegen Paulus aan had gekeken' Op 17 november 2002 trad Voskuilen bijvoorbeeld op in het tv-programma Propaganda, en hij was diverse malen op de radio te horen, samen met Fik Meijer, de eveneens mediagenieke hoogleraar Klassieke Oudheid aan de Universiteit van Amsterdam. Fik Meijer weet meestal waar hij het over heeft, en verklaarde Voskuilens stelling niet voor onmogelijk te houden. Verschillende experts, waaronder een hoogleraar uit Leiden, hadden Voskuilen tijdens zijn onderzoek al gezegd dat zijn theorie in principe mogelijk was. Volgens de Groningse Universiteitskrant benadrukte Ankersmit 'dat Voskuilen de weinige bekende gegevens over Paulus op een nieuwe manier combineert. De orthodoxe methode, waarin Paulus een oprechte grondlegger van het christendom is, laat gaten vallen. 'De theorie van Voskuilen laat mogelijk andere gaten, maar die problemen zijn mogelijk minder groot' Zoveel academische grootheden die Voskuilens theorie niet onmogelijk achtten - dat is ongebruikelijk in de wereld der revisionisten, die meestal - vaak terecht - door de academische wereld worden genegeerd. Niet alleen een opzienbarende theorie dus, maar ook nog eens een die niet onaannemelijk is.
Onvoldoende kennisNatuurlijk konden reacties niet uitblijven. In , het ook online te raadplegen tijdschrift van Nederlandse sceptici, werd Voskuilens these met scepsis ontvangen - uiteraard, zou je bijna zeggen - en kreeg hij een kritische recensie. (Skepter 15 (2), september 2002) De redacteur in kwestie ging zelfs zo ver zich af te vragen hoe het met de historische wetenschap in Groningen was gesteld dat iemand hierop kon afstuderen.
Alias Paulus slaagt er niet in de pretenties van de auteur waar te maken, zoals ook Hendrik Spiering en Vanno Jobse al constateerden in respectievelijk het NRC en het Parool.
Alias Paulus is behoorlijk omvangrijk, ook al komt dat voornamelijk door de gekozen vorm: de dialoog, die zowel in het eerste deel als in het daarop volgende filmscript wordt gebruikt. Het eerste deel (blz. 19-314), waarin de theorie uit de doeken wordt gedaan, is geschreven in de vorm van een scenario voor een David Letterman-show waarin het personage van Will Hunting (uit de gelijknamige film, waarin de titelheld als buitenstaander de wiskundige academische wereld op zijn kop zet) de theorie uiteenzet. Als tegenspeler wordt de eveneens fictieve theoloog Norman Kotzwinkle opgevoerd, die het traditionele beeld verdedigt van Paulus als bezield verbreider van het christendom.
Over de literaire merites van dit deel laat ik me niet uit, maar er is in elk geval heel veel aan te merken op de historische inhoud van de tekst, die een groot gebrek aan kennis over de Oudheid verraadt. Zo wordt de rebellenleider Spartacus door Hunting op blz. 92-93 door een keizer aan het kruis geslagen, hoewel er in die tijd nog helemaal geen keizer was. De auteur haalt deze informatie uit een documentaire over gladiatoren op Discovery Channel, alsof er geen stapels boeken zijn geschreven over Spartacus en zijn opstand. Zelfs de gelijknamige film met Kirk Douglas in de hoofdrol had de auteur duidelijk kunnen doen maken dat er in die tijd nog geen keizers waren.
Er zijn ook minder in het oog lopende fouten. Op blz. 112 laat Voskuilen Kotzwinkle beweren dat het Romeinse Rijk de eerste totalitaire staat ter wereld was, en dat de keizerverering een Romeinse innovatie is. Dat is aperte onzin: de heersercultus was een typisch fenomeen uit het Midden-Oosten, dat al door Alexander de Grote en zijn hellenistische opvolgers was overgenomen. De heersercultus was in het Romeinse Rijk niet onverdeeld populair, waar het aanvankelijk als een Griekse gekkigheid werd beschouwd. Augustus, de eerste keizer, was zo verstandig om zijn vermeende goddelijkheid in het westelijke deel van het Romeinse rijk niet al te zeer te benadrukken. Latere keizers als Caligula en Domitianus probeerden hun cultus ook in het westelijke deel van het rijk in te voeren, maar zij ontmoeten daarbij veel verzet. In het Midden-Oosten werd de heersercultus geen duimbreed in de weg gelegd, maar ook daar werd deze niet dwingend opgelegd - althans niet ten tijde van Jezus en Paulus. Dat Augustus in Klein-Azië al tijdens zijn leven als god werd vereerd schijnt zelfs een lokaal initiatief te zijn geweest, wat door Augustus werd toegestaan. Overigens accepteerden de Romeinen wel zonder morren dat stervelingen na hun dood onder de goden konden worden opgenomen - maar dat is nog heel wat anders als de cultus van een levende heerser. Pas onder keizer Diocletianus, aan het einde van de derde eeuw, werd de heersercultus ook in het westelijk deel van het Romeinse Rijk aanvaard.
Ook de boude bewering dat het Romeinse rijk de eerste totalitaire staat was is gewoon onjuist. De term totalitair is ooit bedacht voor staten, die het leven van de bevolking in detail regelen volgens een bepaalde ideologie en dan met name de fascistische en communistische staten van de twintigste eeuw. Zo'n staat was het Romeinse rijk domweg helemaal niet, al was het maar omdat de centrale overheid helemaal niet de middelen had om een rijk van de omvang als het Romeinse als een totalitaire staat te besturen. Verder lijkt Voskuilen - dit keer bij monde van Hunting - niet te weten dat het christendom niet alleen in het Romeinse Rijk aansloeg, maar ook daarbuiten. Armenië gaat er prat op de eerste christelijke staat te zijn. Ook verspreidde het christendom zich al snel naar buiten het rijk gelegen landen als Nubië, Ethiopië en Perzië, tot in China en India toe. Deze onkunde heeft Voskuilen overigens gemeen met Francesco Carotta die in zijn 'Was Jezus Caesar?' beweert dat het christendom te nationaal-Romeins zou zijn om aan te slaan buiten het Romeinse rijk.
Simplistisch wereldbeeldEr zijn verder genoeg vragen te stellen bij het extreem simplistische, zwart-witte wereldbeeld van Voskuilens protagonisten omtrent de verhouding tussen Romeinen en Joden. Op blz. 176 trekt Will Hunting bijvoorbeeld in twijfel dat een Romeinse officier de Judeëers - in dit geval Jezus - welgezind zou kunnen zijn. Maar zoals E.J. de Meester op zijn website schrijft: 'Julius Caesar was populair bij de joden, dat is zeker. Cleopatra voelde zich verraden door de joden in Alexandrië, die de kant van Caesar kozen. Suetonius schrijft dat bij de begrafenis talloze buitenlanders klaagzangen aanhieven, vooral de joden, die nachtenlang doorgingen met hun rouwbeklag ()'.
Ook elders, bijvoorbeeld op de bladzijden 138 en 139, portretteert Voskuilen de Romeinen als eendimensionale tirannen en de vrijheidslievende Joden als hun slachtoffers. Herhaaldelijk trekken de protagonisten al dan niet impliciete vergelijkingen met het Derde Rijk. Er zijn echter genoeg verhalen van Duitse officieren, zelfs SS-ers, met begrip voor de bevolking van de door Duitsers bezette landen. Dus als een Duitse soldaat een joods jongetje laat lopen, zoals een enkele maal onder andere in Nederland is gebeurd, zou dat volgens Voskuilen niet kunnen. De Romeinen deelden de Übermensch-overtuiging van de Nazi's niet - het idee was nu juist dat iedereen die dat wilde burger van het Romeinse Rijk kon worden, en het burgerschap is tijdens het keizerrijk voortdurend verruimd - wat hen in ieder geval makkelijker moet hebben gemaakt om sympathie te hebben voor Joden of andere niet-Romeinse onderdanen.
Een ander voorbeeld van de a-historische beoordelingscriteria die de auteur hanteert: 'Een cultuur die andere mensen ter vermaak voor de wilde beesten gooit, zou ik niet willen karakteriseren met onze definitie van het woord 'beschaving', aldus Hunting op blz. 248. Tja, ik ook niet, maar wat voor zin heeft het om eenentwintigste-eeuwse waardeoordelen los te laten op het verleden? De auteur heeft zoveel vooroordelen over de Romeinen dat het bijna lachwekkend wordt. Ook lijkt hij een nogal naïeve opvatting te hebben met betrekking tot de historische betrouwbaarheid van het Oude Testament. 'Ik bouw geen nieuwe religie. Ik keer terug naar de situatie zoals die was voor Saul, en zoals veel Joden die nog steeds handhaven. Ik beperk me alleen tot het Oude Testament, de Schrift die er al lang was' Maar zo lang was de Schrift er nog niet in de eerste eeuw na Christus - het Oude Testament was nog maar een paar eeuwen daarvoor 'compleet'. Bovendien is het jodendom in zijn huidige min of meer vastomlijnde vorm pas ontwikkeld na de val van Jeruzalem in 70 na Christus . Het christendom was aanvankelijk net als het rabbijnse jodendom een religieuze stroming binnen een groter en diffuser geheel. In tegenstelling tot wat Voskuilen zijn lezers wil doen geloven is het christendom niet louter en alleen een travestie van het jodendom.
Curieuze nalatigheidNatuurlijk zijn deze historische inzichten niet zonder meer algemeen aanvaard. Gelovigen horen immers niet graag dat hun geloofswaarheden in historisch opzicht op een wankele basis berusten. Van Voskuilen echter had toch wel verwacht mogen worden dat hij zich in deze inzichten had verdiept. Uit alles blijkt dat Voskuilen eigenlijk maar weinig weet van de van de Romeinse Oudheid. Zijn onderzoek is verre van compleet. Zo laat hij op blz. 114-140 Will Hunting een lange monoloog afsteken waarin deze allerlei retorische kunstgrepen toepast om te bewijzen dat Romeinen net zo goed spionage konden bedrijven als moderne staten. Dat is op zich een prijzenswaardige exercitie, al is het maar omdat ook veel mensen nog wel eens de neiging hebben om te denken dat mensen uit het verleden dommer zijn dan zij. Huntings betoog zal hen echter niet overtuigen, want de door Will Hunting uitgesproken, niet op bronnenmateriaal gebaseerde, gefingeerde dialogen tussen niet-bestaande Romeinen bewijzen natuurlijk volstrekt niets. Hij had tal van historische praktijkvoorbeelden kunnen aanhalen uit een artikel van Rose Mary Sheldon 'Toga & Dagger: Espionage in Ancient Rome' gepubliceerd in 'The Quarterly Journal of Military History' in de herfst van 2000. Sheldon schrijft bijvoorbeeld: 'Around 300 b.c., for example, during the Etruscan wars, the consul Q. Fabius Maximus sent his brother disguised as an Etruscan peasant into the Ciminian forest to win over the local Umbrians to the Roman cause. The brother was both fluent in Etruscan and a master of disguise. He was sent to reconnoiter areas into which Roman agents were said never to have penetrated. The mission was a resounding success, and Rome was able to bring Umbrian tribes into an alliance'
Voskuilen geeft een vergelijkbare operatie weer, maar zonder enig bron- of bewijsmateriaal aan te voeren. Waarom zo ingewikkeld doen met een literaire kunstgreep waarvan de bewijsbaarheid nihil is, terwijl die kunstgreep aanmerkelijk minder gratuit zou zijn geweest als het beschreven voorval wel in de bronnen valt aan te wijzen? Dan had het tenminste nog iets bewezen. Sheldon wijst er in haar artikel bijvoorbeeld op dat Caesar en Augustus al hoog ontwikkelde geheime diensten hadden, en dat die geheime diensten inderdaad ook Christenen bespioneerden: 'As secret police agents, the frumentarii participated in the persecution of Christians. They were among the chief agents who spied on Christians and had them arrested. The soldier who supervised Saint Paul in Rome while he was awaiting trial was a frumentarius. Early Church historian Eusebius reports the tale of a Christian named Dionysius who was being hunted by the secret police. He hid in his house for four days. Meanwhile the frumentarius was searching high and low but never thought to search the man's house. Dionysius made his escape with the help of the Christian underground. In another incident, a frumentarius was sent to arrest Cyprian, later sainted, but the Christians, who had their own intelligence network during the persecutions, found out about the arrest order and warned him to go into hiding' Voskuilen laat Hunting zich in allerlei retorische bochten wringen om aannemelijk te maken dat de Romeinen de christenen bespioneerden, terwijl Sheldon hem dat allemaal had kunnen vertellen en hem het noodzakelijke bewijsmateriaal had kunnen bieden. In de literatuuropgave op blz. 539-540 ontbreken helaas alle titels vanaf de S, zodat de volledige titels van de in de noten aangehaalde auteurs Sanders, Sheldon en Wilson ontbreken. Aan de hand van de verkorte titels van Sheldon die wel in de noten stonden kan echter geconcludeerd worden dat Voskuilen 'Toga and Dagger' niet kende. En dat terwijl het artikel uit 2000 dateert, hij de auteur nota bene kende en zelfs contact met haar had gehad - een curieuze nalatigheid, te meer daar het artikel van Sheldon hem op een presenteerblaadje allerlei bewijzen en motieven voor zijn these had kunnen aanreiken.
Slordig onderzoekHet lijkt erop dat Voskuilen niet alleen weinig afweet van de Oudheid, maar dat hij ook nogal slordig onderzoek heeft verricht. Natuurlijk zouden al deze feilen nog op het conto van Voskuilens personages kunnen worden geschreven, ware het niet dat Voskuilen ook buiten zijn boek vergelijkbare uitspraken deed. Zo zei hij bijvoorbeeld in een vraaggesprek met het Brabants dagblad, op 10 december 2002: 'Ik geloof niet dat de Romeinen iemand kruisigden omdat joodse hogepriesters dat vroegen' Maar daar zit hem nu juist de crux: de Romeinen deden juist wel, meer dan eens, wat de hogepriesters vroegen. De Romeinen zaten namelijk niet te wachten op problemen binnen het rijk en werkten zoveel mogelijk samen met lokale elites. Zeker in het Midden-Oosten waren er heel lang alternatieven voor het Romeinse bewind, in de tijd van Paulus bijvoorbeeld het rijk van de Parthen. Bepaalde Joodse facties haalden al in de eerste eeuw voor Christus de Parthen in het land om er een een pro-Romeinse uit te werken.
Er zijn meer feilen aan te wijzen, zoals Hendrik Spiering deed in zijn recensie 'De Heiland gaat op weg naar Hollywood' in NRC Handelsblad, 20 december 2002: de Romeinen voerden doorgaans niet zo'n omslachtige politiek als ze echt last hadden van oppositie, en ook slaagt Voskuilen er niet in te verklaren waarom Paulus zo populair was bij de Christenen dat een groot deel van het Nieuwe Testament aan hem is gewijd, en dat zijn brieven daarin zo'n belangrijke plaats hebben gekregen. Er is meer aan de hand met Paulus en de opkomst van het christendom dan Voskuilen verklaren kan, en dat maakt de uitwerking van zijn these er niet sterker op.
De presentatie in de vorm van een Letterman-show moge dan misschien literair verantwoord zijn, helaas krijgt de lezer al gauw een hekel aan de protagonisten. Vooral Voskuilens versie van Will Hunting is ronduit vervelend. Zoals Vanno Jobse schrijft in zijn recensie in Het Parool, 1 mei 2003, is Will Hunting 'hier omgetoverd tot een brallende, bierdrinkende betweter zonder enig historisch benul, die de lezer al snel tegen zich in het harnas jaagt' - ik zou daar nog aan toe willen voegen dat Voskuilen's versie van Will Hunting een eendimensionale travestie is van de veel complexer Will Hunting die door Matt Damon in de gelijknamige film gestalte wordt gegeven. Kotzwinkle als pedante wetenschapper is ook vervelend, maar in zijn geval verwacht je niet anders. Maar ook de 'held' gaat je op een gegeven moment danig tegenstaan, en dat versterkt de argumentatie nu ook niet direct - je gaat juist zoeken naar mogelijkheden om de these van die brallende betweter onderuit te halen.
Het tweede deel van het boek, het filmscript van 'The Last Gospel' (blz. 315-507), een uitwerking van Voskuilens these biedt weinig nieuws, behalve dan dat het is gelardeerd met veel geweld en seks. Er komen veel anachronismen in voor, maar goed, het is dan ook een filmscript. Het las in elk geval een stuk prettiger. Daarna volgt een selectie van brieven van Paulus waarin Voskuilen met de hulp van smiles heeft aangegeven waar volgens hem sprake is van Paulus' zwarte humor (blz. 509-524). Deze selectie leidt hij overigens in met een volstrekt onwetenschappelijke en zwaar bevooroordeelde waarschuwing aan de lezer: 'Onderschat deze man niet. Denk aan de slimste, meest doortrapte duivel die je je kunt voorstellen. Dit is hem, Romeins staatsburger en vervolger Saul van Tarsus' (blz. 509) Ook al komt de opmerking na vijfhonderd pagina's waarin er op wordt gehamerd dat Paulus een Romeinse spion was en het christendom een manier om het jodendom te ondermijnen, het pleit nu niet bepaald voor Voskuilens vermogen tot kritische en wetenschappelijke distantie.
Al deze kritiek laat onverlet dat de these an sich niet zonder aanleiding is: er is zeker iets vreemds aan de hand met Paulus en met de bronnen over zijn leven. Interessant zijn de noten waarin autoriteiten als de Amerikaanse godsdiensthistoricus Eisenman Voskuilens theorie ondersteunen. Eisenman opperde al eerder dat Paulus mogelijk in een professionele relatie stond tot de Romeinse overheid, maar werkt zijn these anders uit dan Voskuilen, die overigens pas na zijn afstuderen op de hoogte raakte van Eisenmans theorie. Maar ook al is Voskuilens theorie niet onmogelijk, zoals Fik Meijer en anderen beaamden, hij slaagt er niet in te overtuigen. Er is simpelweg te veel a-historische ruis in zijn boek, te weinig distantie jegens zijn onderwerp, en - vooral - gewoon een manifest gebrek aan kennis van Paulus' tijd. Om met Spiering te spreken: 'Een geweldig idee natuurlijk (...)'. Maar helaas heeft een geweldig idee ook een geweldige onderbouwing nodig, en daar ontbreekt het bij Voskuilen aan'
Overigens zijn Eisenman en Voskuilen niet de enigen die een dergelijke these poneren. Zo bevindt zich in de Amsterdamse Universiteitsbibliotheek een werkje van ene H.J.J. de Brouwer genaamd 'The Decline of the House of Herod' (London & Amsterdam 1998), waarin een voor het overige geheel vergelijkbare theorie wordt geopperd. Volgens De Brouwer heet Paulus van Tarsus eigenlijk Aristo, die naast het christendom ook nog een Mithras-cultus op poten zou hebben gezet, en bestreed hij bovendien in Romeinse dienst joodse opstandelingen.
Een uit de hand gelopen grap?Is Voskuilen dan toch een revisionist, een fantast à la Von Däniken of Wilkens? Zijn theorie krijgt in elk geval het voordeel van de twijfel van academici van naam, en ook mindere goden zien tussen alle ruis door nog wel dat hij een punt heeft. Maar er zijn al stemmen opgegaan die ervan uit gaan dat Voskuilens these een uit de hand gelopen grap is. Voskuilen zei het zelf al: 'Het is begonnen als een geintje, als een plot voor een filmscript, maar ik ben er steeds meer in gaan geloven, en velen met mij', vertelde hij op 10 december 2002 aan het Brabants Dagblad.
Parool-recensent Jobse vindt het boek ook 'een uit de hand gelopen grap'. Het 'ligt er zo duimendik bovenop dat het verbazing wekt dat niemand het eerder op deze manier heeft gezien. Alias Paulus is een geslaagde parodie op de geschiedschrijving en op een universitaire doctoraalscriptie. Voskuilen spot met historici, academici, literatuurcritici, en met de lezer die zijn complottheorietje serieus neemt'. Ik beschik niet over de gave van humor, dus als Jobses conclusie juist is, ben ik er ook ingevlogen.
Jobses veronderstelling vindt enige steun in het feit dat Voskuilen in Propaganda zou gezegd hebben dat hij in 2000 was gestopt met zijn studie om zich fulltime aan schrijven te gaan wijden, en dan alleen maar fictie. Of zoals Groninger Ilja Nieuwland in september 2002 schreef in Spekter: 'De vorm waarin het geheel was gegoten had iets te maken met het feit dat Voskuilen afstudeerde bij onze lokale geschiedfilosoof - de geschiedfilosofie is een discipline met evident andere eisen dan de gebruikelijke geschiedwetenschap en het probleem is wellicht dat bij Voskuilen dat onderscheid niet expliciet wordt gemaakt en een 'Spielerei' te nadrukkelijk doorgaat voor historische analyse' Geen historische studie dus, zoals men tot dusver zou kunnen aannemen, maar 'het was vooral, zoals een doctoraalscriptie hoort te zijn, een proeve van bekwaamheid in de geschiedfilosofie' Dat is dan blijkbaar een discipline met totaal andere eisen dan de academische geschiedschrijving.
Laten we hopen dat Jobse en Nieuwland gelijk hebben. Maar mocht Voskuilen daadwerkelijk van plan zijn te gaan promoveren op zijn these, dan moet hij toch stukken beter beslagen ten ijs komen dan hij in Alias Paulus heeft gedaan. Hij kan in ieder geval weer te rade gaan bij Rose Mary Sheldon: die heeft recentelijk een bibliografie over spionage in de Oudheid gepubliceerd: 'Espionage in the ancient world: an annotated bibliography of books and articles in western languages'. Voskuilen zou er goed aan doen aan de hand daarvan eerst eens wat serieus literatuuronderzoek te gaan doen.
