Ridderschap in Holland
Portret van een adellijke elite in de late middeleeuwen
Antheun Janse
514 pp, € 30
isbn/issn: 90-6550-667-5

Ridderschap in Holland

(recensie: Henk Looijesteijn)

Er zijn nog steeds fikse hiaten in onze kennis van wie ertoe deed in het vaderlands verleden. Dat heeft niet alleen te maken met historiografische modes, maar ook met de vaak grote hoeveelheid werk die met elite-onderzoek noodzakelijkerwijs gepaard gaat. 'Als ik zou willen, zou ik nog tot mijn pensioen kunnen blijven werken aan het fundament waarop het boek gebaseerd zou moeten worden' zo schrijft Antheun Janse in het voorwoord van zijn lijvige, nieuwste boek over de Hollandse adel. Zoveel onderzoek bleef er zijns inziens nog te doen voordat er een definitief - voorzover dat mogelijk is - beeld van de Hollandse adel in de late middeleeuwen te schetsen valt. Maar al is Janse misschien niet helemaal tevreden, een onaffe indruk maakt deze studie bepaald niet. In de eerste plaats omdat zijn boek het eerste boek is dat de Hollandse adel in de late middeleeuwen als geheel tot onderwerp heeft. Tot dit boek was er gewoon niets, met uitzondering uiteraard van een groot aantal deelstudies waarin de adel zijdelings een rol speelt, een aantal genealogische studies van Dek naar de belangrijkste Hollandse families en het boek van Henk van Nierop (Van ridders tot regenten. De Hollandse adel in de zestiende en de eerste helft van de zeventiende eeuw (z.p. 1984) dat weliswaar in 1500 aanvangt, maar waarin toch ook in het kort eerdere ontwikkelingen worden aangestipt. Janse's onderzoek is dus voor Nederlandse adelsonderzoekers in het algemeen en die van de Hollandse adel in het bijzonder van groot belang, omdat het nu mogelijk is de ontwikkeling van de Hollandse adel te volgen van 1275 tot ongeveer 1650 - het hiaat tussen zijn onderzoek en dat van Van Nierop wordt enigszins opgevuld door het boek van Hans Cools, dat zich richt op de hoge adel van de Nederlanden in de late vijftiende en vroege zestiende eeuw.

Voor wie Van Nierops werk kent, zijn er een aantal interessante gevolgtrekkingen uit op te maken, bijvoorbeeld dat de Hollandse adel in de late middeleeuwen nog heel 'open' was, en dat de 'aristocratisering' van de adel - een steeds exclusievere groep waar het bijna onmogelijk werd in toe te treden - toch vooral een vroegmodern proces was. Maar ook is het zeer interessant te zien dat al in de veertiende eeuw slechts zestig procent van de heerlijkheden in handen van de adel was - en veertig procent in handen van niet-edelen. Van Nierops vraag 'wie de (...) niet-adellijke bezitters van heerlijkheden dan wíl waren' (Van ridders tot regenten, tweede druk (Amsterdam 1990), blz. 9) is ook hier van toepassing, en evenzeer nog een braakliggend terrein als voor latere periodes. Ook hier kan geconstateerd worden dat het aantal heerlijkheden in adellijke handen tot 1650 vrijwel gelijk bleef - altijd zo om en nabij de zestig procent. Het zou wellicht de moeite waard zijn om eens te gaan onderzoeken wie nu eigenlijk de ruim driehonderd Hollandse heerlijkheden bezaten tussen het moment dat de leenadministratie begint en de afschaffing van de heerlijke rechten in 1798; daaruit zou in ieder geval een aspect van de nog steeds niet opgeloste aristocratiserings-kwestie afdoende behandeld kunnen worden.

In de tweede plaats behandelt Janse in zijn kloeke werk tal van aspecten van adel en ridderschap uitputtend, en op overzichtelijke wijze, in zeer helder taalgebruik. Zijn vraagstelling is bedriegelijk eenvoudig: 'wat was de rol en positie van de adel in Holland in de late middeleeuwen en welke ontwikkelingen zijn daarin waar te nemen?' (blz. 12). Vervolgens schetst hij stap voor stap een profiel van de 'typische' Hollandse edelman. Dat klinkt een stuk eenvoudiger dan het is, gezien de weerbarstigheid van de materie. Want wie nu wel of niet van adel was, was ook in de tijd zelf geen uitgemaakte zaak; de nuances in status waren voor elk adellijk individu anders, en wie nu welke status had binnen de Hollandse adel in het bijzonder en de contemporaine Hollandse samenleving in het algemeen blijft vaak verborgen voor de historicus. Status is nu eenmaal moeilijk meetbaar en is bovendien aan tal van veranderingen onderhevig; een knaap verwierf meer status als hij tot ridder was geslagen, maar het maakte dan nog een groot verschil hoe invloedrijk en welvarend hij was, om nog maar te zwijgen van ongrijpbare - want zelden vastgelegde - zaken als persoonlijke eer en nabijheid tot de hoogste heer, de Graaf van Holland. Janse slaagt erin deze moeizame materie heel aanschouwelijk te maken aan de hand van nader uitgewerkte voorbeelden uit vier verschillende peiljaren. Per peiljaar heeft hij een dwarsdoorsnede gemaakt van de Hollandse adel op dat moment. Dat stelt hem in staat ontwikkelingen binnen de Hollandse adel in kaart te brengen, en voorkomt dat hij - en met hem de lezer - verdrinkt in een moeras van namen.

Zijn er dan geen minpunten? Misschien dat een zeer goed ingevoerde specialist die zou aantreffen, maar ik kon ze nauwelijks ontdekken. Goed, naar mijn idee komen de dames van de Hollandse ridders soms wat te weinig naar voren. Zo beschrijft Janse hoe op Hollandse toernooien uitdrukkelijk de vrouwen en jonkvrouwen van de Hollandse adel werden uitgenodigd, maar hij vertelt er niet bij of ze dan vergezeld werden van mannelijke familieleden of alleen kwamen, en met welk doel. Fungeerden toernooien als huwelijksmarkt? Hoorde het gewoon bij de normen en waarden van de hoofse cultuur? Dat had ik wel graag willen weten, want dat zou al veel zeggen over de rol van adellijke Hollandse vrouwen. Maar strikt genomen vallen deze dames niet onder de ridderschap - dat waren immers alleen mannen - en het is te begrijpen dat Janse, bij alles wat hij wel diepgaand heeft onderzocht, deze intrigerende kwestie niet verder kon uitwerken. Datzelfde geldt voor een ander probleem, dat ook Van Nierop braak heeft moeten laten liggen: de diffuse ondergrens tussen de 'kleine' adel en de hoge burgerij. Zowel in de middeleeuwen als in de zestiende en zeventiende eeuw waren er een groot aantal geslachten die al dan niet terecht beweerden een adellijke achtergrond te hebben. Vooral aanzienlijke katholieke regentengeslachten, die omwille van hun geloof hun posities binnen de stadsbesturen gaandeweg verloren, beriepen zich erop van adel te zijn en gingen zich jonker noemen. Janse's onderzoek kan daar geen antwoord op geven - wederom omdat hij zich moest beperken tot de 'algemeen erkende' adel, die van de ridderschap. Zijn boek biedt echter wel uitgangspunten voor onderzoek naar deze schimmige groep.

Kortom, Janse's boek is een voorbeeldig en belangrijk werk, zowel voor de geschiedenis van de Nederlandse adel als voor de geschiedenis van het gewest Holland. Als laatste punt verdient ook de fraaie, goed verzorgde vormgeving van het boek aandacht, en het feit dat typefouten nagenoeg ontbreken. Dat is in sommige eerdere uitgaven van Verloren wel eens anders. Het is te hopen dat deze eersteling in de reeks Adelsgeschiedenis spoedig een waardige opvolger krijgt.