The March of the Libertines
Spinozists and the Dutch Reformed Church (1660 - 1750)
Michiel Wielema
221 pp, € 22,00
isbn/issn: 90-6550-777-9
[Serie: Studies in Dutch Religious History, Vol. 2]

The March of the Libertines

(recensie: Han C. Vrielink)

Michiel Wielema promoveerde in 1999 op de dissertatie Ketters en verlichters. De invloed van het spinozisme en wolffianisme op de Verlichting in Gereformeerd Nederland. De nu verschenen studie, The March of the Libertines, is een herziening, uitbreiding en vertaling van dat deel van de dissertatie dat handelde over de invloed van het spinozisme. Daarbij valt de nadruk op de invloed van het spinozisme binnen de Nederduits Gereformeerde Kerk. Wielema's onderzoek was een onderdeel van het het NWO-programma 'The Early Enlightenment in the Republic: Cartesianism, Spinozism, and Empiricism, 1650 - 1750", dat onder leiding stond van professor Wiep van Bunge.

Tijdgenoten en latere historici zijn het erover eens, dat er in de Republiek een buitengewoon klimaat heerste van tolerantie en godsdienstig pluralisme. Vele regenten waren er, op grond van hun humanistische en vrijzinnig-religieuze overtuiging, tegen gekant om de staatsmacht te gebruiken als instrument van confessionele dwang. In de politiek prevaleerden de seculiere waarden boven de religieuze. Welvaart, economisch belang en de handhaving van rust en orde waren belangrijker dan confessionele eenheid en religieuze zuiverheid. Vrijheid van geweten was een groot goed in de Republiek. Was niet de verbrijzeling van het juk der inquisitie één van de motieven voor de opstand? De Nederduits Gereformeerde Kerk was weliswaar de door de overheid bevoorrechte en officiële kerk, maar ook niet meer dan dat. Men was vrij om zijn geloof daarbuiten, in aparte congregaties of kerken te beoefenen. Zo was het althans in theorie. In de praktijk betekende gewetensvrijheid niet altijd vrijheid van vergadering en godsdienstoefening, laat staan vrijheid om anti-christelijke of atheïstische opvattingen te uiten.

Binnen de Gereformeerde Kerk bestonden twee opvattingen over de aard van de kerk. De 'libertijnen' vonden dat de kerk plaats moest bieden voor alle christelijke gelovigen van de meest uiteenlopende opvattingen op geloofsgebied. Volgens de strenge calvinisten echter was de kerk niet bedoeld als een brede volkskerk. De kerk was voor hen een exclusieve organisatie van lidmaten, die zich vrijwillig onderwierpen zowel aan bepaalde confessionele regels (de geloofsbelijdenis, de Heidelbergse catechismus en de anti-Arminiaanse stellingen) als aan het disciplinair gezag van consistories, classes en synoden. Wie deze discipline niet langer kon accepteren, moest de kerk maar verlaten. Zoals bekend won de opvatting van de strenge calvinisten het pleit op de synode van Dordrecht. Aldus vertoonde de Republiek de vreemde combinatie van een ijzeren gestrengheid in leer en discipline binnen de Gereformeerde Kerk en een weergaloze vrijheid daarbuiten. Wielema nu onderzoekt in The March of the Libertines enkele aspecten van die spanning tussen de gestrengheid binnen de kerk enerzijds en het algemeen erkend recht in de Republiek dat men niet onderworpen mocht worden aan godsdienstige inquisitie anderzijds.

De nieuwe filosofieën van Descartes en Spinoza verwierven ook aanhangers binnen de Gereformeerde Kerk. Vooral het spinozisme stond haaks op wat de kerk leerde: het verwierp het idee van een persoonlijke God, van een God als schepper, als wetgever en als heiland. Het geloof is een zaak van vroomheid, niet van waarheid, aldus Spinoza. In zijn analyse van de Bijbel en het geloof komt Spinoza tot de slotsom dat het geloof in wezen niet meer veronderstelt dan een paar eenvoudige en vrome dogma's, die iedereen kan aanvaarden.. Zo kan een eenheid van geloof en religie samengaan met een grote variatie van persoonlijke filosofieën. Rede en filosofie staan volkomen los van het geloof. Daarom kan de religie nooit inbreuk maken op het onvervreemdbare recht van vrijheid van meningsuiting.

Wielema behandelt een aantal dissidenten binnen de Gereformeerde Kerk die hij 'spinozistische gereformeerden' noemt. Zij zagen, als aanhangers van (een deel van) het gedachtegoed van Spinoza, de publieke, gereformeerde kerk als middel tot het realiseren van de door Spinoza in zijn Tractatus theologico-politicus beschreven vrijheid op politiek en maatschappelijk gebied. Voorwaarde daarvoor was wel dat deze kerk zich diende te beperken tot wat in hun ogen haar enige taak was: het volk de eenvoudige heilsweg te leren, dat wil zeggen gehoorzaamheid aan het gebod van liefde en gerechtigheid. De kerk diende zich niet meer te bemoeien met de politiek, de wetenschap en de filosofie. Daarom bekritiseerden de 'spinozistische gereformeerden' de conservatieve politieke strevingen van voorgangers en consistories, die zij als een rem beschouwden op de ontwikkeling naar een samenleving waarin ieder zijn heil kon vinden langs de weg van de rede.

Vanuit dit 'spinozistisch vertrekpunt' bekritiseerden mensen als Jacobus Verschoor met zijn Beweging der Hebreeën, Frederik Leenhof , Willem Deurhoff en Pontiaan van Hattem de bijbeluitleg, de leer en het kerkelijk gezag van de Gereformeerde Kerk. Hun opvattingen en hun strijd voor een grotere denkvrijheid binnen die kerk is het eigenlijke onderwerp van dit boek. Wielema heeft daarvoor een indrukwekkend archief- en literatuuronderzoek verricht. Hij beschrijft de strijd van de 'libertijnen' op boeiende wijze.

Ook al meenden de dissidenten dat hun kritiek "moest kunnen", de officiële kerkelijke instanties trachtten met harde middelen de invloed van de 'libertijnen' in de kiem te smoren, zo toont Wielema aan. Daarbij werden de dissidenten niet alleen onderworpen aan harde ondervragingen door de kerkeraden, maar kregen zij ook te maken met vervolging door de burgerlijke overheid, bijvoorbeeld als ze openbare conventikels organiseerden, waar de leer van de Gereformeerde Kerk bekritiseerd werd. Als verstoorders van de vrede en de eenheid binnen de door de overheid beschermde kerk, handelden zij, naar de mening van de stedelijke overheden, tegen de regels van het kerkelijk èn het burgerlijk bestuur. Dezelfde magistraten die katholieke, remonstrantse en doopsgezinde diensten in hun stad toestonden, verboden de conventikels van hen die naar confessie het dichtst bij hen stonden! Met censuur, intrekking van de preekbevoegdheid, boekenverbod en zelfs verbanning werden de 'libertijnen' bestreden. Om inquisitie te vermijden, stond hun weinig anders te doen dan de kerk te verlaten en in conventikels bijeen te komen. Doch, zoals gezegd, dat was ook niet overal mogelijk.

Wielema heeft een interessant boek geschreven. Zijn werk doet uitzien naar meer.