Spelen in de Middeleeuwen
Over schaken, dammen, dobbelen en kaarten
W.S. van Egmond (ed.), M. Mostert (ed.)
208 pp,
isbn/issn: 90 6550 642 x

Spelen in de Middeleeuwen

(recensie: Joke Batink)

In deze bundeling van tien voordrachten (colleges gehouden in het kader van de themacyclus Medievistiek in Utrecht 1998) wordt in de eerste bijdrage, ‘Het spelelement in de middeleeuwse beschaving’ (blz. 9-25) door Marco Mostert gestart met een uitgebreide verwijzing naar Johan Huizinga’s "Homo ludens. Proeve ener bepaling van het spel-element der cultuur". Niet verwonderlijk betreft het hier een man die constateerde dat "elk menselijk handelen uiteindelijk valt terug te voeren op het spel" (blz. 9). Huizinga is ondanks kritiek die gerezen is op zijn werk nog steeds een bron van kennis en inspiratie voor dit onderwerp. Roger Caillois wordt in deze bijdrage opgevoerd als belangrijk ‘opvolger’, die in zijn "Les jeux et les hommes. Le masque et le vertige" voortbouwt op Huizinga, onder andere met een aangepaste definitie en een classificatie van het spel. Spel is volgens Caillois een activiteit die vrij is -dus niet verplicht-, afgezonderd van de normale werkelijkheid, onzeker -want de speler beïnvloedt de afloop van het spel-, onproductief -want er wordt niets mee voortgebracht- en die is gebonden aan spelregels of fictief is. Doen alsof wordt zo dus ook tot spel gerekend.

Gangbare spelen in de Middeleeuwen waren: bordspelen als schaken, het molenspel, trik trak en dammen, en kansspelen als dobbelen en kaarten. Alle bijdragen besteden aandacht aan de waardering die gehecht werd aan de verschillende spelen.

Een gokspel als het dobbelen werd ondanks zijn grote populariteit meestal niet erg hoog geacht. Dit kwam mede door het feit dat de kundigheid van de speler in dit geval nauwelijks een rol speelt - tenzij het draait om zijn vaardigheid om met valse dobbelstenen te spelen: er zijn bij archeologische opgravingen dobbelstenen gevonden met bijvoorbeeld twee zessen of met een stukje lood onder de zes. De westerse kerkelijke autoriteiten beschouwden het dobbelen als zondig gedrag. Wereldlijke autoriteiten hebben er ook vaak negatief over geoordeeld, omdat het tot twisten en verkwisting van (familie)bezit kon leiden. Anderzijds was het voor deze laatsten aantrekkelijk om gokken te reguleren en gedogen en een deel van de ‘omzet’ op te eisen in de vorm van belasting.

Wat ingewikkelder lag het bij het schaakspel, dat een aura van gewichtigheid, intellect en noblesse had. Hier waren de geestelijke autoriteiten verdeeld. De clerus speelde zelf graag een goede partij, maar er waren ook geestelijken die het net als dobbelen ijdel en zondig vermaak vonden. De islamitische wereld was hier ook ambivalent in, zij het iets minder. Schaak was ook daar erg geliefd en gewaardeerd, maar het werd ongewenst geacht als men zo op zou gaan in het spel dat men afgeleid zou worden van de godsdienstige verplichtingen.

Middeleeuwse beschrijvingen van schaakpartijen blijken zich ook goed te lenen om inzicht te krijgen in sociale structuren van die tijd. Met name voor het genderbegrip is het interessant, want er zijn nogal wat partijen beschreven waarin beide seksen tegenover elkaar zitten. In deze bundel worden daarvoor onder andere Arabische bronnen en Middelnederlandse verhalende literatuur besproken. Vrouwen blijken hierin vaak zeer goed schaak te kunnen spelen; toch is het altijd de man die ofwel dankzij zijn intellect of dankzij de inzet van andere middelen de partij wint. De middeleeuwse genderopvatting dat de man superieur is aan de vrouw, wordt hiermee bevestigd. De overwinning van de man krijgt des te meer glans, omdat hij wint van een zeer bekwame schaakster.

Een aparte plaats in de bundel wordt ingenomen door de bijdrage ‘De materiële cultuur van het spel’ van Annemarieke Willemsen (blz. 51-67). Deze toont ons de combinatie die archeologische vondsten en museumcollecties kunnen vormen met schriftelijke bronnen en iconografie. Een voorbeeld is de vondst van het afval van maar liefst 50.000 stuks dobbelstenen bij een opgraving van een beenbewerkingsatelier in het Duitse Göttingen. Het materiaal dateert uit eind 13e, begin 14e eeuw, een periode waarin deze stad circa 5.000 inwoners had. En het betrof hier niet de enige dobbelstenenmaker in de stad: "Het enorme aantal dobbelstenen dat Johannes Capistranus in 1454 in Neurenberg ritueel liet verbranden bij een afzwering van duivelse genoegens, volgens de traditie 40.000 […], is derhalve misschien niet eens zo erg overdreven.", aldus de auteur (blz. 61).

Spel werd door auteurs als Huizinga en Caillois uiterst serieus genomen. De auteurs van deze bundel zetten deze aanpak voort, ieder vanuit zijn eigen kennisterrein. Dat heeft geresulteerd in zeer gevarieerde bijdragen wat betreft onderwerp, bronnengebruik en stijl.

De redacteurs laten in het voorwoord al weten dat "de vraag naar de luciditeit van de westerse Middeleeuwen slechts ten dele beantwoord wordt. De bijdragen houden zich immers slechts met een beperkt aantal spelen bezig, namelijk bordspelen, dobbelen en kaarten." Toch kan de bundel, mede vanwege de genoemde variatie aan onderwerpen en omdat elke bijdrage afgesloten wordt met een literatuurlijst, uitstekend dienen als eerste oriëntatie op dit onderwerp. De meer algemeen geïnteresseerde lezer kan genieten van soms onverwachte invalshoeken en soms bijzonder onderhoudende schrijfkunst.