Dutch Light in the “Norwegian Night”
Maritime Relations and Migration across the North Sea in Early Modern Times
Louis Sicking, Harry de Bles en Erlend des Bouvrie
128 pp, € 14,-
isbn/issn: 90 6550 814 7
geïll.

Dutch Light in the “Norwegian Night”

(recensie: Philip M. Bosscher)

Dit boekje vormt de neerslag van een symposium dat in november 2002 in Amsterdam is gehouden onder auspiciën van de Noorse Ambassade en de Nederlandse Vereniging voor Zeegeschiedenis. De titel vergt enige nadere uitleg. In de Noorse geschiedschrijving geldt als ‘de nacht van vierhonderd jaar’ de periode tussen 1380, toen de Deense en de Noorse Kroon werden verenigd, en 1814, toen Zweden en Noorwegen één Koninkrijk gingen vormen. Gedurende dat tijdperk, en vooral vanaf de 16e eeuw, waren de betrekkingen tussen Noorwegen en de Nederlanden vooral maritiem niet zonder betekenis.

De eerste voordracht, door de Leidse mediaevist Sicking, betreft Olav Engelbrektsson, aartsbisschop van Trondhjem, en diens poging het katholicisme in Noorwegen te handhaven en de zelfstandigheid van het land onder de Deense Kroon te waarborgen (pp.15-41). Daarbij stonden hem enkele Enkhuizer schepen ten dienste die eerder deel hadden uitgemaakt van een vloot die onder bevel van admiraal Antonie van Bourgondië was uitgerust tot ontzet van het belegerde Kopenhagen maar te laat gereedkwam. Deze schepen hebben in Noorwegen niet veel meer kunnen doen dan de aartsbisschop in 1537 te vervoeren bij het vertrek uit zijn vaderland, met medeneming van zijn gehele archief en de schatten van de Nidarosdom en andere kerken.

De Noorse historica Soelvi Sogner laat op pp. 43-56 haar licht schijnen over de 17e-eeuwse migratie van de Nederlanden naar Noorwegen en vice versa. Eerstgenoemde was numeriek niet van grote betekenis: alleen Bergen telde een significant aantal burgers van Nederlandse afkomst. De veel talrijker migranten van Noorwegen naar Nederland kwamen voornamelijk in Amsterdam terecht en de mannen vonden daar in grote meerderheid emplooi in de scheepvaart, waarschijnlijk vooral bij de VOC. De vrouwelijke immigranten, die veelal uit Zuid-West Noorwegen kwamen, werkten merendeels als dienstpersoneel. Wat huwelijkspatronen betreft, is opvallend dat meer Noorse mannen een Nederlandse bruid vonden dan Noorse vrouwen een Nederlandse bruidegom. Mevrouw Sogner suggereert voorzichtig dat dit te maken kan hebben met het hoge percentage analfabeten onder de Noorse vrouwen (p. 56).

De Utrechtse historica Erika Kuijpers heeft al eerder gepubliceerd over de Lutherse gemeente in het 17e-eeuwse Amsterdam. In haar bijdrage op pp.57-67 van deze bundel houdt zij zich speciaal bezig met het Noorse element onder de Amsterdamse Lutheranen. Haar conclusie is dat het hier inderdaad grotendeels gaat om ‘poor, unskilled, working people, illiterate, superstitious and a burden on the church's finance’ (p.67). Opvallend is de tendens tot endogamie en vestiging in bepaalde wijken als de Oostelijke Eilanden en de Lastage. In dit opzicht vormen de Noren een contrast met andere groepen immigranten.

Marc van Alphen, thans als historicus verbonden aan wat tegenwoordig heet het Nederlands Instituut voor Militaire Historie, behandelt in zijn voordracht (pp. 69-80) détails uit het leven van de merkwaardige figuur Cornelis Cruys (1655-1727), geboren in Stavanger als Nils Olsen, na een carrière bij de Nederlandse koopvaardij onder-equipagemeester op de Amsterdamse Landswerf en uiteindelijk admiraal onder Peter de Grote. Na zijn ‘Amsterdamse’ periode is hij duidelijk een sterke band met de stad blijven voelen, wat zich onder meer uitte in zijn uitdrukkelijke wens in deze stad te worden begraven. In de Oude Kerk wijst men zijn graf aan, met een in 1997 onthulde inscriptie (dit graf is overigens al in de 18e eeuw geruimd, wellicht - zo vermoed ik - met het oog op een herbegrafenis elders). Dat Cruys in Amsterdam begraven werd, hangt ongetwijfeld samen met zijn nauwe relatie tot de Lutherse kerkenraad daar. Het was mogelijk geweest hem bij te zetten in één van de Lutherse kerkgebouwen ter plaatse: de Lutheranen genoten het recht in hun kerken te begraven. Dat men toch voor de Hamburgerkapel in de Oude Kerk koos, hangt daarmee samen dat de Lutherse kerkenraad een zekere contrôle uitoefende over de grafrechten daar. Ook kan mijns inziens een rol hebben gespeeld dat men de Hamburgerkapel ‘deftiger’ vond.

De Leidse historica Ivonne Lucker, werkzaam bij het Letterkundig Museum, confronteert ons op pp.81-91 met de succesvolle loopbaan van een andere geboren Noor, Jacob Dirksen, die fortuin maakte als schipper in dienst van de Middelburgse Commercie Compagnie. Hij heeft voornamelijk gevaren op het Caribische gebied en vond de dood toen het door hem gecommandeerde schip de Jonge Willem begin 1752 op de thuisreis verging.

De Leidse emeritus-hoogleraar Jaap Bruijn koos als onderwerp een episode in de veelbewogen carrière van de zeeofficier Cornelius de Jong (pp.93-112). Deze vond in de herfst van het bewogen jaar 1795 met het door hem gecommandeerde fregat Scipio en een konvooi van zeven Oost-Indiëvaarders een wijkplaats in de Noorse wateren. Vervolgens bracht hij winter en lente in Trondhjem en omgeving door. Hij gaf daar zijn ogen goed de kost, zoals blijkt uit het boek over zijn reizen dat hij in 1802 publiceerde.

Het was mijns inziens een uitstekend idee om in dit boekje ook op pp.113-126 de tekst op te nemen van een lezing die de grote Huizinga in maart 1939 in Oslo hield voor de Norsk-Nederlandsk Forening in Oslo, een in het Engels uitgesproken referaat dat nog nooit eerder was gepubliceerd. Het getuigt van grote eruditie en bevat opmerkingen zoals die over het Nederlandse landschap ‘with its tranquil and inviting kindliness’ (p. 122) die ook nu nog actueel dan wel uitdagend zijn. Bij de transcriptie is Sicking kennelijk één keer uitgegleden: de ‘goblets’ (bokalen) van p.123 zijn wel ‘goblins’ (kabouters). Opvallend is dat Huizinga in zijn vergelijking tussen Noorwegen en Nederland uitdrukkelijk het Nederlandse overzeese rijk betrekt. Ik acht dat tekenend voor het toenmalige geestelijke klimaat aan de Leidse universiteit.

Wel enigszins verbaasd was ik toen ik op pp. 93-94 las dat tijdens de roemruchte overval op de retourvloot van Pieter de Bitter in de Baai van Bergen (augustus 1665) ‘the Danish governor worked hand in glove with’ de Britten. Ik heb er Warnsincks studie uit 1929 op nagelezen en die geeft toch wel een geheel ander beeld.

De lezerskring van dit lezenswaardige en aantrekkelijk uitgegeven en geïllustreerde boekje heeft men zeker verbreed door het geheel in het Engels uit te geven. De kwaliteit zou echter mijns inziens stellig hebben gewonnen wanneer men de tekst nog eens zou hebben laten nalopen door wie men een ‘native speaker’ pleegt te noemen.

Ph. M. Bosscher