Zintuigen in de Middeleeuwen
Themanummer Madoc: Tijdschrift over de Middeleeuwen jg.20 nr.4
Pascal Bertrand (red.)
87 pp, € 8,-
isbn/issn: 9789065509390
geïll

Zintuigen in de Middeleeuwen

(recensie: Cristel R. Stolk)

Dit themanummer van Madoc is ook welbesteed aan diegenen die niet vaak met de Middeleeuwen bezig zijn. De aantrekkelijkheid van het nummer ligt niet in de laatste plaats aan de kleurige cover: oranje met afbeeldingen van de vijf zintuigen, ontleend aan de vijftiende-eeuwse Franse tapisserie-serie La Dame à la Licorne (De dame met de eenhoorn). Plak hier overheen met grote witte letters de titel en niemand kan eromheen: Zintuigen in de Middeleeuwen.
Het aardige van dit cultuurhistorische thema is dat het universeel is: iedereen heeft en had namelijk zintuigen in gebruik, dus ook in de Middeleeuwen. Het is ook niet aan een stand gebonden. Bovendien kan de lezer van nu zich er ook iets bij voorstellen. Het thema van de vijf zintuigen is op zichzelf al gevarieerd en elk zintuig is in principe vanuit allerlei invalshoeken te onderzoeken; mits er bronnenmateriaal beschikbaar is, en dat is vaak niet eenvoudig te vinden. Want niet over alle zintuigen is doelbewust iets neergeschreven in de Middeleeuwen. Misschien is dit de reden dat de artikelen niet evenredig over de zintuigen zijn verdeeld. Reuk en tast zijn allebei vertegenwoordigd met één artikel, terwijl aan de overige zintuigen steeds twee stukken zijn gewijd.
Dat de hedendaagse lezer zich ook in het onderwerp kan inleven, onderschrijft neerlandica Christanne Muusers in haar artikel over lekker eten in de middeleeuwen. Zij ziet hierin echter ook een gevaar. Met de smaakpapillen van nu kan het verleden namelijk snel verkeerd beoordeeld worden. Want smaak is iets subjectiefs en is tijdgebonden. Wat vroeger lekker was, wordt nu anders beoordeeld en zodoende staat de middeleeuwse keuken niet hoog aangeschreven. Muusers levert echter een slim staaltje didactiek: ze voert de lezer mee naar de toekomst en laat zien hoe de toekomstige onderzoeker naar de twintigste-eeuwse eetcultuur (varkenspest, hongersnood, hormoonschandalen, voedingssupplementen) zou kijken. Vervolgens keren we met een frisse blik terug naar middeleeuwen, waar zoetzuur en kruidig de gewenste smaakbeleving bepaalden. Het tweede smaakartikel in de bundel bekijkt het onderwerp vanuit een andere praktische hoek: houdbaarheid, bederf en manipulatie van voedsel in de late Middeleeuwen. Handelsproducten als vis, boter en wijn leidden in dit opzicht soms tot stedenruzies en sancties, bijvoorbeeld als een handelspartner een loopje nam met de kwaliteit van de producten. Hoewel er een aantal controlerende instanties bestond om de kwaliteit van het voedsel te waarborgen, bleef het consumeren van bederfelijke waren door arme bevolkingsgroepen tot en met de negentiende eeuw een probleem.
In de twee artikelen bij het zintuig gehoor is het onderwerp in haar twee uitersten gesplitst: het ene artikel is getiteld ‘hels kabaal’, terwijl het andere over hemelse muziek gaat. Voor het hels kabaal zijn de laatmiddeleeuwse Franse mysteriespelen als bron genomen. Theaterstukken moesten het niet alleen van tekst hebben, maar ook van decor en speciale (geluids)effecten met veel gedonder en geraas. De auteur plaatst het hels kabaal van de mysteriespelen tevens in de context van de zogenoemde ‘ketelmuziek’: middeleeuws protestlawaai. De kosmische muziek in het artikel van Mariken Teeuwen geeft een heel ander geluid. Door Boethius werd de klassieke indeling van kosmische muziek, muziek van mensen en instrumentale muziek verbreid. Plato’s harmonie der sferen stond centraal in het idee dat de goddelijke orde door middel van muziek te doorgronden was. Muziek en ziel waren nauw met elkaar verbonden.
Wat Plato was voor het gehoor, was Ovidius voor de tastzin. Zijn Ars Amatoria klonk door in de middeleeuwse liefdeslyriek. De auteur van het artikel wijst ook op verschillende connotaties in de bijbel: aanraken was niet kuis, maar het kon anderzijds ook voor genezing zorgen.
Liefdeslyriek van een ander kaliber was Dante’s Divina Commedia, die een bron vormt voor het zintuig zicht. Dante’s reis van hel naar hemel ging gepaard met verschillende vormen van zien. In de hel is sprake van een aards, zintuiglijk zien, dat op de louteringsberg verandert in een soort spiritueel schimmenspel. Via de ogen van zijn geliefde Beatrice mag Dante uiteindelijk een eerste blik werpen in de volmaakte hemel.
De bundel heeft tenslotte nog twee artikelen die min of meer op dezelfde bron steunen. Justin Kroesen’s artikel over zicht en Casper Staals’ bijdrage over reuk situeren beide namelijk in de kerk. Staal onderzoekt het gebruik van wierook in de eredienst, terwijl Kroesen laat zien dat het zien van de hostie in de late Middeleeuwen invloed had op het inrichten van de kerk.
Madocs vijf zintuigen smaken naar meer. Naar het zesde zintuig bijvoorbeeld, want hoe zat het met de middeleeuwers die met ‘de helm op’ werden geboren of andere eigenschappen bezaten die, toen of tegenwoordig, als een zesde zintuig bestempeld worden? Verder zou het bijvoorbeeld ook aardig zijn te weten waar de middeleeuwse mens zijn neus voor ophaalde, of er verschillen waren tussen de standen, of er heilzaam water uit bepaalde oorden kwam en welk soort pijnstillers er in de Middeleeuwen voorhandel waren. De zintuigen vormen kortom een thema dat zich uitstekend leent voor nog meer belevingsgeschiedenis.

C. R. Stolk