Bavianen en Slijkgeuzen
Kerk en kerkvolk in de tijd van Maurits en Oldenbarnevelt
A. Th. Van Deursen
571 pp, € 69,50
isbn/issn: 978-90-5194-391-7
gebonden, geïllustreerd in kleur

Bavianen en Slijkgeuzen

(recensie: Cécile de Morrée)

De eerste druk van deze titel is al in 1974 (toen bij Van Gorcum, Assen) verschenen. Desalniettemin heeft de huidige uitgever het de moeite waard geacht in najaar 2010 een geheel herziene luxe editie uit te brengen. Dat is op zichzelf al een opmerkelijk gegeven, aangezien de meeste letteren-studieboeken zich helaas niet in vier drukken mogen verheugen. Het is ook opmerkelijk omdat het de vraag oproept in hoeverre het werk nog steeds relevant is. In de loop der decennia is over Bavianen en Slijkgeuzen menige zeer positieve recensie verschenen, maar in zesendertig jaar is er tevens veel veranderd in het onderzoek, de lezerspopulatie en de beschikbare publicaties.
 
Het werk concentreert zich op de Republiek gedurende de jaren van het Twaalfjarig Bestand (1609-1621). De oorlog met Spanje was tot een wapenstilstand gekomen, maar in de eigen Republiek werden binnen de protestantse kerk nieuwe godsdiensttwisten ontketend. Heikel punt was de leer van de predestinatie. Volgens de contra-remonstranten had de mens geen invloed op zijn of haar eeuwige bestemming. De remonstranten echter, hingen de visie aan dat de mens door deugdzaam leven ook zelf enige invloed kon uitoefenen op zijn of haar lot, en zelfs de hemel kon verdienen. De twist kwam tot een hoogtepunt in de Synode van Dordrecht (1618). De Synode ondersteunde de visie van de contra-remonstranten, en legde deze vast in vijf artikelen tegen de remonstrantse leer.
 
Deze twisten waren des te zwaarwegender omdat zij verbonden waren met de politieke machtsstrijd tussen Prins Maurits en Johan van Oldenbarnevelt. Al sinds het begin van het Twaalfjarig Bestand liepen de discussies tussen beide leiders hoog op en de verhoudingen verslechterden toen Oldenbarnevelt zich in de religieuze twist mengde door de remonstrantse theoloog Jacobus Arminius bij te vallen. Prins Maurits zag hierin een politieke kans: hij sloot zich aan bij de contra-remonstranten en kon zo na de Dordtse Synode ook een politieke overwinning vieren. De primaire verdienste van Van Deursen schuilt er echter in dat in Bavianen en Slijkgeuzen nu eens niet dit politieke conflict centraal staat, maar dat de focus ligt bij het dagelijks leven van de contemporaine kerkganger.
 
Deze focus geeft ruimte voor een genuanceerd beeld van de twisten, in de eerste plaats gebaseerd op heel veel geschreven bronnen. De auteur haalt deze bronnen veelvuldig aan, en intergreert deze op een dusdanige wijze in de tekst dat de citaten hierop naadloos aansluiten en 400 jaar overbrugd lijken te worden. Van Deursen is al veelvuldig geprezen om zijn verhalende stijl, die zeer beeldend is. Hij neemt de lezer mee naar de kerkelijke praktijk van het begin van de zeventiende eeuw door het aanhalen van illustratieve voorbeelden. Zo schrijft hij over het belang van een dragende stem voor predikanten: “Zo kwam Josias van den Houte van Renesse niet voor Den Briel in aanmerking, ‘alsoo de stemme soo slap’ was. (...) En had niet, als Johannes Acronius in vuur geraakte, ‘de stoel gedaverd en gerookt’?” (p.60). Hiermee komen niet alleen de predikanten heel dichtbij, maar vooral ook de manier waarop zij, als uitdragers van de protestantse kerk, door hun tijdgenoten beleefd werden. Ook vermakelijke details weet Van Deursen uit zijn bronnen op te diepen, bijvoorbeeld wanneer de keuze van onderwerpen voor de preek aan bod komt: “Zo sprak ds. Petri van Assendelft bijna drie jaar lang over de brief van Paulus aan de Romeinen. Toen was het echter de kerkeraad genoeg, en hij besloot ‘dat de dienaar van de wtlegginge des gemelten heerlijeken sentbriefs een tijt lanck soude supersederen’.” (p.64).
 
Bij het aanhalen en interpreteren verwijst Van Deursen in een omvangrijk notenapparaat naar de vindplaatsen van zijn bronnen. Een aantal teksten is integraal als bijlage opgenomen. Voor het merendeel moeten we echter vertrouwen op zijn kundigheid en precisie waar het op historische interpretatie aankomt. Uit de soepele, verhalende tekst wordt namelijk niet altijd duidelijk waar de beweringen precies vandaan komen. Deze onzekerheid wordt mede veroorzaakt door het ontbreken van een gerichte inleiding of een methodologisch kader. Bovendien staan de noten achterin het boek, wat het kritisch lezen lastig maakt. Met enige kleine aanpassingen in de structuur van de teksten had de heruitgave wellicht beter aan de huidige standaard van transparantie voldaan. Kapitale fout van de uitgever is de flaptekst, waarin verwezen wordt naar de vroeg-zestiende in plaats van de zeventiende eeuw.
Twee andere aspecten waaraan bij herziening meer aandacht besteed had kunnen worden, zijn het taalgebruik en de secundaire literatuur. Hoewel het leeuwendeel van de publicatie op historisch bronnenmateriaal berust (materiaal dat dus niet veroudert), is de meest recente secundaire literatuurvermelding uit 1967, terwijl de invalshoeken van onderzoek naar diezelfde bronnen wel in ontwikkeling blijven. Het is echter begrijpelijk dat men dit voor een heruitgave heeft willen uitsluiten – herziening hiervan zou een heel nieuwe publicatie opleveren. Het taalgebruik had hier en daar echter wel geactualiseerd mogen worden door een goede redacteur. De tekst draagt onmiskenbaar het stijlstempel van de auteur, maar sluit daarmee niet overal goed aan bij de lezer die 40 jaar na de eerste druk leeft: het taalgebruik doet wat ouderwets en stijf aan. Voor een simpele heruitgave is dit natuurlijk prima, maar de luxueuze uitvoering van deze editie doet vermoeden dat dit boek méér wil zijn dan enkel een herdruk.
 
Dit is tevens het meest bevreemdend aan het boek: het is niet duidelijk wat voor soort uitgave het wil zijn. Het boek is prachtig uitgevoerd: het is genaaid gebonden in een harde band met linnen omslag en verfraaid met ca. 100 kleurenafbeeldingen. Het lijkt op het eerste gezicht een publieksboek te zijn voor de algemeen geïnteresseerde lezer. Voor dit doel ontbreekt er echter een algemene inleiding op het onderwerp en worden er te veel begrippen gebruikt die niet algemeen bekend verondersteld mogen worden. Bovendien zijn de citaten – zo lijkt het – niet vertaald, herspeld of geparafraseerd (wat overigens op zich een aanwinst is). Het etiket van een wetenschappelijk studieboek lijkt echter ook niet passend. De noten staan te ver van de broodtekst, de grote afbeeldingen met omkaderde bijschriften zijn geen wezenlijke toevoeging aan de inhoud en het glimmende papier is niet geschikt voor aantekeningen. Het lijkt een boek om te bewaren, niet om te gebruiken, maar ondanks de index is het niet geschikt als naslagwerk door de vloeiende wijze waarop de informatie is verwerkt.
 
Al met al is Bavianen en Slijkgeuzen zijn herdruk zeker waard, maar een heruitgave zoals de onderhavige lijkt tussen de wal en het schip te vallen. In alle pracht van de uitvoering lijkt het praktische doel van het boek uit het oog te zijn verloren: ondanks het fraaie bindwerk mist het boek een leeslint, en dat is precies wat de lezer van dit kleurrijke geschiedverhaal nodig heeft.
 
Cécile de Morrée
 
 
Trefwoorden: Nederland, Holland, 17e eeuw, Maurits en Oldenbarnevelt, Kerkgeschiedenis, Cultuurgeschiedenis, Religie, Twaalfjarig Bestand, Synode van Dordrecht, Remonstranten, Contra-remonstranten, Calvinisme