Bourgondië voorbij. De Nederlanden 1250 – 1650.
Liber alumnorum Wim Blockmans
Mario Damen en Louis Sicking (red.)
464 pp, € 39,-
isbn/issn: 978-90-8704-166-3
geïllustreerd

Bourgondië voorbij. De Nederlanden 1250 – 1650.

(recensie: Paul Hendriks)


Deze bundel is samengesteld uit bijdragen van alumni van Wim Blockmans, gegroepeerd rond een viertal thema’s en naar aanleiding van zijn afscheid als hoogleraar middeleeuwse geschiedenis in Leiden. De 26 artikelen zijn verdeeld over de thema’s: vorsten en hoven; edelen en ambtenaren; mensen en markten; recht, oorlog en Opstand. De artikelen zijn allen geschreven door mensen die zijn gepromoveerd bij Blockmans in de periode waarin hij als hoogleraar in Leiden werkzaam was (1987 – 2010). Bourgondië mocht zich altijd in de warme belangstelling van de Professor verheugen en het is daarom niet zo vreemd dat zijn alumni vaak promoveerden op een aspect van de rijke Bourgondische historie.
Mijn aandacht werd allereerst getrokken door de laatste bijdrage: `Trots op Nederland. Hugo de Groot en het natuurlijk recht op immigratie, door Martin van Gelderen’ ( 409 – 418). De titel prikkelt de nieuwsgierigheid. Het artikel blijkt bij nadere beschouwing te gaan over het feit dat Hugo Grotius de canon van de Nederlandse geschiedenis gehaald heeft, hij vertegenwoordigt een van de 50 zogeheten vensters. Van Gelderen heeft een uitgesproken mening over de canon en zijn samenstelling. In zijn artikel schetst hij echter vooral voor de lezers nog even de betekenis van Hugo de Groot voor recht en vrijheid en spitst hij zijn betoog toe op het recht op immigratie, een factor die voor de economische bloei van de Republiek van grote betekenis is geweest. Dat hij ook reageert op de actualiteit met zijn artikel moge duidelijk zijn. Het stuk van Van Gelderen valt in meerdere opzichten een beetje uit de toon in dit boek. De overige 25 bijdragen hebben allen een meer directe relatie met het werk van Blockmans en met Bourgondië.
Hanno Wijsman is de Bourgondische bibliotheek ingedoken met de vraag naar meertaligheid (`Las Filips de Goede wel eens Nederlands? Kleine talen in de Bourgondische Librije’, 69-84). Zijn onderzoek toont aan dat er diverse kleine talen vertegenwoordigd waren in de bibliotheek. De conclusie luidt echter dat Filips waarschijnlijk wel Nederlands kon verstaan en lezen, maar het niet sprak. Er zijn aanwijzingen dat handschriften in het Nederlands werden gebruikt om vorstelijke kinderen , zoals Filips de Schone en Margaretha [van Parma], de bastaarddochter van Karel V, te laten kennismaken met deze taal.
In een aantal conclusies wordt verwezen naar het werk van Blockmans zelf, al dan niet samen met Walter Prevenier. Michel van Gent, `In de ban van het rijk. De relatie van hertog Arnold van Gelre met rooms-koning Sigismund en hertog Filips van Bourgondië, 1423-1437’ (31 – 42) corrigeert de meester: “De constatering van Blockmans en Prevenier dat Arnold van Gelre eind 1435 als bondgenoot van de keizer tot het anti-Bourgondische kamp behoorde, is duidelijk onjuist” (p 42).
Peter Hoppenbrouwers, `Ridders en hun ruiters. Het krijgsbedrijf in Holland en Brabant gedurende de veertiende eeuw’ (327 – 350) signaleert dat nader onderzoek geboden is naar de herkomst van de hulptroepen van de hoge heren bij publieke en private conflicten in die tijd.
Bladerend door deze bundel kom ik bijdragen tegen die de nieuwsgierigheid prikkelen, zoals het stuk van Petra van Dam, `Leidse professoren eisen hofkonijnen. Een nieuwe betekenis voor een oud emolument in vroegmodern Holland’ (295 – 310). Het zijn teveel artikelen om hier te bespreken en er recht aan te doen. Het is een bundel die er goed en mooi verzorgd uitziet en die uitnodigt om er regelmatig naar terug te keren. De samenstellers hebben een prestatie geleverd waar zij trots op mogen zijn en waar zij Wim Blockmans waarschijnlijk een groot plezier mee hebben gedaan.
 
Drs. Paul Hendriks
 
Trefwoorden:
Nederland, Bourgondische landen, Vlaanderen, Holland, Gelre, Filips van Bourgondië, Middeleeuwen, Vroege Nieuwe tijd.