Wat een verandering in zoo weynige jaaren
Van Republiek tot Koninkrijk
C.J. Schotsman
€ 18.5
isbn/issn: 90-188-1627-0

Wat een verandering in zoo weynige jaaren

(recensie: Henk Looijesteijn)

Er zijn weinig periodes in de Nederlandse geschiedenis die zo complex zijn en zo overlopen van veranderingen als het tijdvak 1780-1813. De paradepaardjes van de Gouden Eeuw - het ooit zo geprezen, relatief vrije staatsbestel van de Republiek en de nationale melkkoe de VOC - moesten het moede hoofd in de schoot leggen. Nederland versleet binnen achttien jaar drie staatsvormen en nog veel meer regeringen en ministers, terwijl de Nederlandse schatkist vakkundig werd leeg gehengeld door de Franse ‘bondgenoten’.

Toen de kruitdampen van de Napoleontische oorlogen optrokken mocht Nederland uit de as herrijzen, maar het duurde nog tot 1860 voordat het BNP van het Koninkrijk dat van 1780 kon benaderen. Die tachtig jaar gelden als de langste structurele crisis die Nederland trof sinds zijn ontstaan en is lange tijd allesbepalend geweest voor de Nederlandse perceptie van de Gouden Eeuw, maar ook van de Franse Tijd zelf. Hoe kon zulk een schijnbaar onomkeerbaar verval optreden in een land dat zich tijdens de Gouden Eeuw kon meten met de Europese grootmachten en dat op tal van terreinen toonaangevend was? Dat is wat Nederlandse historici en intelligentsia van Potgieter tot Busken Huet zich hebben afgevraagd, maar waar nog steeds geen overtuigend antwoord op is gevonden.

De jaren 1780-1813 – het tijdvak van één generatie – riepen en roepen nog altijd tegenstrijdige beelden en gevoelens op. Zo vonden Orangistische historici de Bataafse Republiek maar niks, terwijl moderne republikeinen met al dan niet misplaatste nostalgie terug verwijzen naar de Bataafse Republiek als model voor een nieuwe republiek. Door economisch-sociale historici kan het tijdvak worden opgevat als een catastrofe, waarin de relatief wijd verspreide welvaart van de oude Republiek verdampte door oorlogsgeweld en stagnerende handel. Politieke historici daarentegen bespeuren de eerste contouren van wat uiteindelijk de Nederlandse constitutionele democratie zou worden. Veel instellingen kunnen hun ontstaansgeschiedenis tot deze periode terugvoeren, zoals de Koninklijke Bibliotheek, het Nationaal Archief en Rijkswaterstaat. Het was een zeer complexe periode, een waarin Nederlanders in de regel weinig thuis zijn.

Een handzaam chronologisch overzicht van de meer dan dertig jaar waarin de Republiek evolueerde tot het Koninkrijk der Nederlanden is dan ook nooit weg en daarin heeft dr. C.J. Schotsman met ‘Wat een verandering in zoo weynige jaaren’ in proberen te voorzien. In tien korte hoofdstukken schetst Schotsman een beeld van de snelle veranderingen in Nederland tussen 1780 en 1813, en van de personen die bij die veranderingen een rol speelden. Schotsman baseert zich zowel op archief- als literatuuronderzoek en lardeert zijn overzicht met citaten zoals de uitspraak van prinses Wilhelmina, moeder van koning Willem I, die hij gebruikt in de titel.

‘Wat een verandering in zoo weynige jaaren’ is een handzaam overzicht, maar toch is er heel veel op aan te merken. De veelomvattende vragen die de auteur zich stelt in de inleiding – zoals of de bestuurssamenstelling steeds aan verandering onderhevig was of dat voortdurend dezelfde mensen op het kussen zaten – worden te kort en weinig systematisch beantwoord. Alleen al de wisseling der elites tijdens deze periode verdient een kloek boek, om van andere vragen – zoals de rol van de Oranjes in deze jaren en de invloed van Engeland en Frankrijk op Nederland – nog maar te zwijgen.

Het laatste woord over de Bataafs-Franse tijd is nog lang niet gesproken, gezien de kloeke boeken die er de laatste tijd over zijn verschenen, zoals De Adelaar en het Lam van Johan Joor (Amsterdam, De Bataafsche Leeuw, 2000) - dat overigens niet door Schotsman is geraadpleegd. Van een historiografisch overzicht van deze periode is helaas geen sprake. Dat is jammer juist omdat het een periode is die historiografisch gezien nogal ‘in beweging’ is.

Stilistisch is er ook nog wel wat aan te merken. Schotmans stijl is erg staccato en hij legt weinig uit. Schotsmans zeer beknopte stijl geeft hem nauwelijks de ruimte zijn vragen naar volledige bevrediging te beantwoorden. Zo schrijft hij op blz. 94: ‘De jonge prins Willem werd door George II op vierjarige leeftijd tot ridder in de Kousenband benoemd. Deze benoeming tot ‘Knight of the Garter’ zou hem voor het leven aan Groot-Brittannië verbinden.’ Op het eerste gezicht is duidelijk genoeg; maar meer uitleg hierover is toch wel op zijn plaats. Namelijk, ook in de vroeg-moderne tijd gaven vorsten elkaar ridderordes cadeau, maar dat wil niet zeggen dat ze geen oorlog met elkaar voerden als ze dat noodzakelijk achtten. Prins Maurits werd ook opgenomen in de Orde van de Kousenband, maar dat betekende nog niet dat hij daardoor pro-Engels werd. Kortom, Schotsman suggereert dat de Engelse relatie voor Willem V erg belangrijk was en verbindt dat aan de verlening van de Kousenband aan de vierjarige prins. Hij verzuimt echter uit te leggen hoe belangrijk die Orde was voor Willem; speelde het een rol in zijn persoonlijke leven of was hij vooral pro-Engels om andere, staatkundige redenen? Op zichzelf zegt het verlenen van een orde niet zoveel.

Dergelijke zevenmijlssprongen zijn weinig verhelderend en maken de tekst nogal nietszeggend. Ze wekken bovendien de indruk dat er woorden zijn weggevallen.Dan staan er ook nogal eens feitelijke onjuistheden in: Napoleon werd in 1802 niet tot Keizer gekroond, maar hij werd toen eerste consul. Keizer werd hij pas in 1804. Prins Frederik overlijdt volgens de auteur in 1806, maar dat moet 1799 zijn. Verder staan regelmatig jaartallen fout geschreven: bijvoorbeeld 1976 waar 1796 had moeten staan. Verder blijft ook erg onduidelijk waarom Schotsman dit overzicht nu eigenlijk heeft geschreven: hét boek over de jaren 1780-1813 is het niet geworden. Daarvoor biedt de auteur te weinig nieuws, te weinig al dan niet nieuwe inzichten en is zijn uiteindelijke tekst veel te beknopt.

Een directe aanleiding voor de publicatie van zijn boek lijkt er niet te zijn, noch geeft de auteur duidelijk aan waarom hij nu zo is gefascineerd door deze periode of waarom zijn overzicht van deze periode nodig is. Voor zomaar een literair aandoende, populaire geschiedschrijving zoals veel wordt geschreven in de Duits- en Engelstalige wereld is het veel te beknopt en schetsmatig. Daardoor blijft dit boekje wat in de lucht hangen, en, is de uiteindelijke conclusie, is het een nogal overbodig boekje. Wie echt iets wil afweten van deze periode, kan beter lijvige klassiekers gaan lezen zoals Schama’s Patriots and liberators: revolution in the Netherlands, 1780-1813 (New York 1977) of het dikke boek van Joor.

Henk Looijesteijn