Voor de tijd van het jaar
Vervaardiging, organisatie en gebruikscontext van Middelnederlandse devote liedverzamelingen, ca. 1470-1588
Cécile de Morrée
407 pp, € 39,-
isbn/issn: 978-90-8904-659-0
geïllustreerd

Voor de tijd van het jaar

(recensie: Aron de Vries)

 

Cécile de Morrée, Voor de tijd van het jaar. Vervaardiging, organisatie en gebruikscontext van Middelnederlandse devote liedverzamelingen, ca. 1470-1588 (Hilversum, Uitgeverij Verloren, 2017) geïllustreerd, ISBN 978-90-8704-659-0, 407 pagina’s, € 39,-.
Het proefschrift van Cécile de Morrée opent met een prachtig Middelnederlands lied over de hemel die als een wonderschone plaats wordt voorgesteld waar de mensen op aarde naar mogen verlangen. Volgens het lied zingen de meisjes daar wonderschoon, samen met de koningszoon en zijn moeder, Maria. Dat lied schalt door het hele hemelrijk, zo helder, fijn en wonderlijk, dat het niet te beschrijven valt. Er staat ‘En is niet uut te spreken’, zodat het een beroep doet op het voorstellingsvermogen van de luisteraar. Maar de zangers die het lied ten gehore brachten, zullen zich zeker aangesproken hebben gevoeld. Zij dienden immers dit hemelse geluid na te volgen, een imitatio coeli.
Elk hoofdstuk opent met een lied, maar toch staan die liederen in deze studie niet centraal. De auteur onderzoekt hoe devote liedverzamelingen zijn vervaardigd en georganiseerd. Overtuigend laat ze zien dat liedverzamelingen niet uitsluitend zijn ingericht volgens de liturgische kalender, maar ook voor een seizoensgebonden gebruik in bredere zin. Centraal staat hierin een liedverzameling die in Berlijn wordt bewaard, die een expliciete tweedeling blijkt te bevatten in een zomer- en een kerstdeel. Betoogd wordt dat deze verzameling waarschijnlijk vervaardigd is in Zwolle, namelijk het Sint-Ceciliaconvent van de zusters van het Gemene Leven. Dit verzamelhandschrift vergelijkt ze met vier andere liedverzamelingen, waarin steeds liederen met een vergelijkbare thematiek in groepjes bij elkaar geclusterd blijken te zijn. Zo blijken alle verzamelingen een kerst- of wintercluster te hebben en de meeste hebben ook een passie- of voorjaarscluster. Daarnaast zijn er aparte clusters voor liederen over bepaalde heiligen.
Hoewel de studie gaat over Middelnederlandse devote liedverzamelingen, zijn ze soms tweetalig. Er zijn dan liederen in het Latijn opgenomen. De gebruiker bepaalde eerst een lied behorend bij een bepaald thema of passend bij een seizoen. Vervolgens was er dan een clustering naar taal om een andere keuze te maken.
Bijzonder interessant vond ik het codicologisch onderzoek dat de auteur heeft verricht. Hierbij keek ze naar de structuur en de vervaardiging van het overgeleverde manuscript. De meeste liedverzamelingen zijn in meerdere fasen ontstaan, waarbij verschillende kopiisten hun sporen hebben achtergelaten. Ze vormde een collectie van deze latere toevoegingen, waarbij ze aannemelijk maakte dat elk thematisch cluster geschreven was op een aparte codicologische eenheid of katern. Tevens werden handschriften bewust aangelegd op de groei. Zo werden er lege bladen, soms zelfs lege katernen, ingebonden. In een later stadium konden nieuwe liederen aan de clusters worden toegevoegd.
De auteur onderzoekt ook de gebruikscontext van de devote liedverzamelingen. Deze moet men vooral zoeken in vrouwenconventen. Niet voor niets wordt er in het openingslied gezongen over meisjes die samen met engelen in de hemel zingen `Lof en eer aan u, heer Sabaoth, Almachtige heilige eeuwige God, Eén wezen en drie personen’. Volgens de auteur speelden sociale en kosmische ritmes een grote of meer expliciete rol in open kloostergemeenschappen, veelal gesitueerd in de stad. Bij zusters in meer afgesloten gemeenschappen, vaak conventen buiten de stad, speelden religieuze ritmes en de daarmee verbonden liturgie een belangrijker rol. Het is wel jammer dat zij in de verzamelingen geen verdere aanwijzingen heeft gevonden voor de gebruikscontext, behalve dat er gezongen werd als groepsactiviteit.
Wel wijst zij er terecht op dat de inhoud van de liederen ook iets vertelt over de omgeving. Neem bijvoorbeeld het lied waarmee het vijfde hoofdstuk opent (blz. 202-203). In dit lied wordt gezongen over hoop en troost die Maria “onser liever sueter vrouwen” biedt en het vertrouwen dat de kloosterlinge heeft in Jezus. Maar er staat ook: “Ze trokken me al mijn kleren uit, Ze lieten mijn haar afsnijden, Ze gaven me een grauw gewaad, Ze leerden me de getijden.” Een mooi inkijkje in het zware kloosterleven. Graag had ik gezien dat de auteur meer vertelde over de inhoud van de liederen uit de verzamelingen. Maar dat laat onverlet dat de studie veel verrassende inzichten biedt op de vervaardiging en het gebruik van liedverzamelingen.
Drs. Aron de Vries
Burg. Gaarlandtstraat 10
4205 CC Gorinchem
Trefwoorden: Nederlanden, Late Middeleeuwen, Muziekgeschiedenis, Codicologie, Religieuze geschiedenis, Moderne devotie, Vrouwenkloosters