Geschiedenis en beschaving. Kritische opstellen over verleden, heden en toekomst.
Gepubliceerde opstellen van Jan van der Dussen bij zijn afscheid als hoogleraar
H.G.J.M. Simissen, L.H.M. Wessels en C.J.M. Schuyt (red.)
350 pp, € 29,-
isbn/issn: 90-6550-893-7

Geschiedenis en beschaving. Kritische opstellen over verleden, heden en toekomst.

(recensie: Martha Catania-Peters)

Deze bundel, met Bruegels in aanbouw-zijnde toren van Babel op de kaft, bevat een keuze uit de gepubliceerde opstellen van prof.dr.W.J. van der Dussen, of Jan van der Dussen, die het boek kreeg aangeboden bij zijn afscheid als hoogleraar Cultuurwetenschappen, filosofie en cultuurgeschiedenis ín het bijzonder, aan de Open Universiteit. De anders moeilijk traceerbare studies, die eerder werden gepubliceerd in diverse tijdschriften in binnen- en buitenland en waarvan sommigen voor deze gelegenheid door de schrijver in het Nederlands zijn vertaald, zijn met deze publicatie toegankelijk geworden voor een groter publiek. Men heeft ze in de bundel trachten onder te brengen in vier delen:‘Historiografie’ (15-108), ‘Collingwood, geschiedenis en filosofie’ (109-205), ‘Cultuurfilosofie’ (207-295) en ‘Verantwoordelijkheid en vrijheid’ (297-337). Samen bevatten ze negentien opstellen, zodat hier noodzakelijkerwijs slechts een selectie daaruit onder de loep kan worden genomen.

Essentieel voor het gedachtegoed van Van der Dussen is zijn interesse in het werk van de Engelse archeoloog, filosoof en historicus R.G. Collingwood (1889-1943), aan wie dan ook bijna het gehele tweede deel is gewijd, terwijl Collingwoods ideeën in de verdere opstellen ook veel ter sprake komen. Dit is niet verwonderlijk. Van der Dussen promoveerde in 1980 aan de Rijksuniversiteit Leiden op het proefschrift History as a science: Collingwood’s philosophy of history. Collingwood was toen nog een grote onbekende, zeker in Nederland, en het is mede aan Van der Dussen te danken dat daar verandering in is gekomen. Wat is er zo interessant aan het gedachtegoed van Collingwood? Eerst en vooral zijn poging een toenadering, een ‘rapprochement’ te bewerkstelligen tussen filosofie en geschiedenis. In Nederland houden historici de filosofie nogal angstvalling buiten de deur. Filosofie kan historici echter bewuster maken van vooronderstellingen of implicaties van begrippen die men vaak zonder meer hanteert, bijvoorbeeld in een vraagstelling. Dat dit iets oplevert, wordt op veel plaatsen in dit boek bewezen. De opstellen van Van der Dussen ademen de geest van Collingwood ook wanneer deze niet ter sprake komt.

Een tweede belangrijke erfenis van Collingwood is zijn bijdrage aan de methodologie van de geschiedwetenschap: zijn ‘logica van vraag en antwoord’. Vraag en antwoord zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden: hoe gerichter een vraag, hoe beter het antwoord. Je kunt ze ook omdraaien: wil je weten of een antwoord juist is, reconstrueer dan de oorspronkelijke vraagstelling. Zo kun je antwoorden uit het verleden beter beoordelen, want opvattingen worden in een historische context geboren. Van het reconstrueren van een vraag uit het verleden kan makkelijk een overstap gemaakt worden naar Collingwoods oplossing voor het probleem van de (on-)mogelijkheid van historische kennis: de zogenaamde ‘re-enactment’-theorie of het her-denken van gedachten uit het verleden. Deze theorie (het is geen methode) is nogal eens bekritiseerd. Maar voor Collingwood was alle geschiedenis de geschiedenis van gedachten, in de meest ruime zin opgevat. Het achtste hoofdstuk van het boek gaat over de filosofische context van de ‘re-enactment’- theorie.

‘All thought exists for the sake of action’ (Collingwood, geciteerd op p.123). Het gaat in deze bundel niet alleen om filosofie en theorie van de geschiedenis, want in een aantal van de opgenomen artikelen gaat Van der Dussen in op concrete historische of actuele onderwerpen. Er is bijvoorbeeld in het eerste deel ‘Historiografie’een bespreking opgenomen van het Srebrenica-rapport van het NIOD, ‘ De bredere context van het Srebrenica-rapport. Achtergronden en oorzaken’(91-108), die in 2003 is verschenen in het Tijdschrift voor Geschiedenis’. Zijn kritiek op de analyse van de achtergronden van het Balkan-conflict is onder andere dat men nationalisme in voormalig Joegoslavië als een achterhaald en daarom abnormaal verschijnsel heeft beoordeeld en vervolgens impliciet als oorzaak heeft aangewezen. Volgens Van der Dussen kende het nationalisme er echter zijn gebruikelijke eigenschappen, maar was de complexe geweldadige geschiedenis van de Eerste en Tweede Wereldoorlog in het gebied uitzonderlijk. Hij wijst deze geschiedenis aan als oorzaak van de recente gewelddadigheden, met het nationalisme als brandbaar materiaal.

Concrete problematiek is ook te vinden in ‘Historisch besef in crisis’ (209-234) in het derde deel, waar het leeg-geworden idee van vooruitgang ter sprake komt, fraai geillustreerd met de slogan ‘let’s make things better’van Philips. De versnelling van veranderingen, niet te verwarren met vooruitgang, veroorzaakt het verdwijnen van uitzicht op verleden én toekomst, waardoor een ineenschrompeling van het heden plaatsvindt. Ik zou dit artikel willen aanraden, en nog andere die mij bevielen, zoals ‘Collingwood over proces, vooruitgang en beschaving’(127-146), ‘Herodotus als pater historiae’ (17-28), ‘Toynbee en zijn critici’ (31-46) en het artikel over de oude en de nieuwe Armeense kwestie.

Teveel engagement is te vinden in het openingsartikel van het vierde deel ‘Verantwoordelijkheid voor toekomstige generaties’ (299-312). Van der Dussens politiek-liberale voorkeuren veroorzaken hier een onmiskenbare partijdigheid in zijn redeneringen. Liberalen zouden handelen met het oog op de verantwoordelijkheid voor de gevolgen van de handeling. Bij confessionelen en socialisten spelen de motieven van waaruit men handelt een grotere rol. Omdat het hier met name om milieuproblematiek in de toekomst gaat en de verantwoordelijkheid daarvoor van de huidige generatie, sluit dit hele relaas naar mijn mening niet aan bij het huidige VVD-beleid.

In het algemeen zijn de geschriften van Jan van der Dussen te beoordelen als zijnde van een vrijwel constant hoog niveau. De bundel wordt afgesloten met een bibliografie van zijn gepubliceerde werk. Verder is er een personenregister met vele bekende namen die je in de opstellen tegenkomt en een verantwoording, dat wil zeggen een lijstje waarop te zien is waar en wanneer de artikelen werden gepubliceerd.

Martha Catania-Peters