De vrouw die Jezus liefhad
Maria Magdalena: het ontkende mysterie
Jacob Slavenburg
159 pp, € 19,95
isbn/issn: 90-5730-396-5

De vrouw die Jezus liefhad

(recensie: Martha Catania-Peters)

 Er is de laatste tijd nogal veel te doen geweest over Maria Magdalena, één van de vrouwelijke volgelingen van Jezus van Nazareth. De vondst in 1945 van de Nag Hammadi-geschriften in Egypte (met ondermeer het Evangelie van Thomas en het Evangelie volgens Filippus) heeft haar imago voor goed veranderd van zondares in meest ingewijde en geliefde discipel van Jezus. Dan Brown heeft in zijn beroemde thriller De Da Vinci Code zelfs gesuggereerd (maar niet als eerste) dat Jezus getrouwd was met Maria Magdalena, dat zij nageslacht hadden, en dat dit zelfs het geheim was van de Heilige Graal waarnaar in de Middeleeuwen zo naarstig werd gezocht. Ook is er een roman verschenen, Volgens Maria Magdalena, van Marianne Frederiksson en bevindt zich in de Berlijnse Codex (opgedoken in 1896) inderdaad een tekst uit de tweede eeuw, genaamd Evangelie van Maria (Magdalena), overigens integraal in het onderhavige boek opgenomen. Er zijn ook meer wetenschappelijke titels als The Woman Jesus Loved, Mary Magdalene in the Nag Hammadi Library & Related Documents van Antti Marjanen.
Wat zo opvalt bij het wereldkundig worden van bijzondere bijbel-verwante teksten als voornoemde Nag Hammadi-geschriften en recentelijk een waar Judas-evangelie, is de uitermate rommelige wijze waarop deze vondsten hun weg naar de wetenschappelijke wereld afleggen. Vervolgens lijkt de wetenschap met deze apocriefe geschriften ook niet altijd raad te weten. Er loopt nu een discussie over het verbieden van publicatie van oude teksten, als zij niet officieel zijn opgegraven en verkocht, dit om illegale opgraving en handel te voorkomen. De kerk is om begrijpelijke redenen ook niet erg toeschietelijk. Dat Slavenburg, historicus van de eerste eeuwen van het christendom, die al eerder over het onderwerp publiceerde, nu tot een juist beeld van Maria uit Magdala wil geraken in het licht van de relatief nieuwe vondsten, publicaties daarover en fictie als van Dan Brown, is lovenswaardig. In die zin is dit boek zondermeer te prijzen.
De eerste hoofdstukken gaan over Jezus zelf, zoals de schrijver hem uit het Nieuwe Testament en de apocriefe geschriften heeft begrepen. Behalve dat Jezus met vrouwen omging op basis van gelijkheid, wordt hier meteen ook bepleit dat Jezus getrouwd was met Maria Magdalena. Allerlei bewijzen worden aangevoerd, allen volgens mij discutabel, maar dat kan, wegens de schaarste van de bronnen en de afstand in de tijd, ook haast niet anders. Alleen het argument dat het toen erg ongebruikelijk zou zijn geweest voor een rondtrekkende rabbi, om niet getrouwd te zijn, lijkt mij steekhoudend. Maar eigenlijk is de vraag of Jezus getrouwd was niet zo interessant. De daar achterliggende problematiek van de seksuele moraal van de kerk en de houding van de kerk ten opzichte van de vrouw en het vrouwelijke, is natuurlijk wel van het allergrootste belang. En daar gaat het de schrijver ook om, zo blijkt uit deze en volgende hoofdstukken.
In 367 werd door de aartsbisschop van Alexandrië een paasbrief opgesteld met daarin een opsomming van geschriften die tot de ‘canon’ behoorden, nu bekend als het Nieuwe Testament. De vele evangeliën die er buiten vielen, werden vanaf dat moment verketterd en dus verborgen of vernietigd. Slavenburg meent dat Maria Magdalena, apostola apostolorum, vertolkster van Jezus woorden naar de discipelen, toen uit het beeld is verdwenen, of liever gezegd weggeschreven. En daarmee verdween ook de vrouwelijke wijsheid uit de evangeliën. De schrijver bouwt zijn bewijsvoering rustig op. In een drietal instructieve hoofdstukken met bespreking van vele bronnen, boeken en geschriften, beschrijft Slavenburg achtereenvolgens de legendevorming (en het boek dat Dan Brown inspireerde), het Nieuwe Testament over Maria Magdalena, en voorts de betekenis van de Nag Hammadi-geschriften en de Berlijnse Codex voor ons begrip van de Magdaleense. Het is een beschrijving van beeld- en legendevorming en een poging tot rehabilitatie. De laatste hoofdstukken, deels geïnspireerd door een hemelreis uit het Evangelie van Maria (Magdalena), en anderszins door planeten en oude godinnen, gaan wat ver door in deze herschrijving van de geschiedenis.
Dat Maria Magdalena een wetende was, die bij de opstelling van de canon van het Nieuwe Testament tekort is gedaan, wordt wel aannemelijk gemaakt in dit boek. Maar de schrijver komt nogal gemakkelijk tot conclusies en aannames, waar gezien de flinterdunne bewijzen nog een vraagteken had moeten staan. Ook beschrijft hij soms gemoedstoestanden van de hoofdpersoon, alsof hij er bij was (p.136-138). Dat komt wat zweverig over of erger in juist deze materie: onwetenschappelijk. De redenering over persoonsverwisselingen, die bij overlevering vóór de opschriftstelling van de bekende evangeliën zijn opgetreden, overtuigt ook niet echt. Volgens Slavenburg en anderen was de Magdaleense Maria van Bethanië, zuster van Martha en Lazarus. Lazarus zou na zijn mysterieuze opwekking uit de dood, misschien een inwijding, Johannes zijn genoemd. We kunnen echter over wat zich toen werkelijk heeft afgespeeld, niets met zekerheid zeggen. Slavenburg poneert een en ander te stellig en daarom valt dit boek, ondanks voorheen genoemde verdiensten, toch wat tegen. 
Achterin zijn een notenlijst en een lijst van geraadpleegde literatuur opgenomen, vooral de laatste zeer de moeite van het doornemen waard.

Martha Catania-Peters