Hoofdmannenkamer, sinds 1749 Hoge Justitiekamer van Stad en Lande van Groningen
De civiele procesgang ten tijde van de Republiek der Verenigde Nederlanden
P. Brood en E. Schut
Stichting OVR
64 pp, € 10
isbn/issn: 90-6550-826-0
Procesgidsen nr. 4

Hoofdmannenkamer, sinds 1749 Hoge Justitiekamer van Stad en Lande van Groningen

(recensie: Martha Catania-Peters)

‘Credo’, ‘non credo’ of ‘nescio’, waren in Groningen de drie mogelijke antwoorden op de bewijsvoering, of posities, van de tegenpartij. We citeren uit de Hoofdmannenkamer, tot nu toe misschien wel het dunste gidsje met wellicht de langste titel in de serie ‘Procesgidsen’ die De Stichting tot Uitgaaf der Bronnen van het Oud-vaderlandse Recht (Stichting OVR) op het ogenblik het licht doet zien. Het deeltje had omvangrijker kunnen zijn, want de materie van de civiele rechtspraak van Stad en Lande van Groningen ten tijde van de Republiek is interessant genoeg, maar ook aardig ingewikkeld. De schrijvers, P. Brood en E. Schut, werkzaam bij respectievelijk het Nationaal Archief en de Groninger Archieven, pogen ons de weg te wijzen door de archieven van de Hoofdmannenkamer en de Hoge Justitiekamer voor het geval dat we met civiele zaken daar te maken krijgen. Voor een goed begrip moet natuurlijk ook de omgeving worden beschreven, zoals de rechterlijke organisatie in het gebied (met schema), de bijna spreekwoordelijke tegenstelling tussen de stad Groningen en de Ommelanden, die zich ook in de rechtspraak manifesteerde, en de geschiedenis van de warven, die in de zestiende eeuw bijna geheel werden verdrongen door de Hoofdmannenkamer. Ook de verandering van bevoegdheden in verschillende periodes komt aan bod, zoals de staatsrechtelijke wijziging in 1749, die niet alleen de naam veranderde in Hoge Justitiekamer, maar er ook een provinciale rechtbank van maakte met een grotere beroepsmogelijkheid dan voorheen. Hoewel de Hoofdmannenkamer (later Hoge Justitiekamer) dus meerdere en wisselende bevoegdheden heeft gehad, onder andere bestuurlijke, is hier van belang dat deze provinciale rechtbank vooral de rechtspraak uitoefende in civiele zaken: vorderingen van stedelijke instanties en burgers tegen Ommelanders, zaken van Ommelanders onderling (niet van ‘Stadjers’ onderling), appèl bij kleine geldvorderingen en zo meer. De kamer bestond uit een luitenant, plaatsvervanger van de stadhouder, en vier, later acht ‘Hoofdmannen’, aangewezen uit oud-burgemeester en raad van de stad Groningen: stedelijke rechters dus, een doorn in het oog van de Ommelanders.

De civiele procesgang voor de Hoofdmannenkamer wordt in het derde hoofdstuk heel precies beschreven en van een verhelderende schematische voorstelling voorzien. De procesgang was langdurig, kostbaar en ingewikkeld. Hebben burgers en buitenlui altijd begrepen hoe de zaken verliepen? Vreemd genoeg ontbreekt in dit kapittel een duidelijke periodisering, waar die in voorgaande hoofdstukken wel ter sprake kwam. Welke tijdspanne betreft de beschreven procesgang? De bepaling dat ‘eigenlieden’, dat wil zeggen onvrijen, niet als getuigen mochten worden toegelaten, doet bijna middeleeuws aan (p. 32). Vormen van onvrijheid werden pas in de Franse tijd afgeschaft, maar is de gebruiker van de gids daar altijd van op de hoogte? In ieder geval geeft de titel van het boekje de lange periode van de Republiek aan als tijdsbestek. Maar was de gang van het proces toen steeds dezelfde? De enige informatie daaromtrent wordt gevormd door de verwijzingen naar instructie of reglement met daarbij de data van opstelling en het ter perse gaan. Een lijst van deze voorschriften (de eerste in 1601 en de laatste in 1795) is in het voorafgaande hoofdstuk opgenomen.

Na behandeling van een concrete appèlzaak voor de Hoge Justitiekamer in 1771, waarin het ging om de afbetaling van een schip, een zaak die steeds gecompliceerder werd, volgt nog informatie over archieven en literatuur, een lijst van illustraties en een glossarium met ‘de meest voorkomende juridische termen, zowel in deze procesgids als in de registers en dossiers van de Hoge Justitiekamer’ (p. 52). Wel jammer van de overige intrigerende, maar soms onbegrijpelijke woorden in de tekst. Neem een bijzin als: ‘zij die krachtens de op het klauwregister vermelde heerden tot het redgerambt gerechtigd zijn’ (p. 15). Gelukkig maakt noot 19 op bladzijde 38 ons iets duidelijk over ‘edele heerden’ en het klauwregister, maar dat is wat aan de late kant.

Tot slot: het blijft een hele prestatie om een grote hoeveelheid ingewikkelde informatie in een korte tekst overzichtelijk samen te brengen. Toch blijkt er steeds stof in deze gids te vinden waarover meer uitleg en achtergrondinformatie gegeven had kunnen worden. Zo zou bijvoorbeeld ook, zoals nu alleen met de functie van de drossaard, vaker een vergelijking gemaakt kunnen worden met de situatie in het naburige Drenthe. Zulke ontbrekende bladzijden, die mis ik wel een beetje.

Martha Catania-Peters