De sabel van Colijn
Biografische opstellen over religie en politiek in Nederland
Jan de Bruijn
370 pp, € 29,-
isbn/issn: 978-90-9704-256-1
geïllustreerd

De sabel van Colijn

(recensie: Jeroen Bouterse)

 

Jan de Bruijn, De sabel van Colijn. Biografische opstellen over religie en politiek in Nederland (Hilversum: Verloren 2011) 370 pp. , geïllustreerd, ISBN 978-90-9704-256-1, € 29,-
 
Deze bundel artikelen van Jan de Bruijn is wat haar ondertitel belooft: ze bestaat uit een verzameling essays over belangrijke personen in de christelijke politiek vanaf het laatste kwart van de 19e tot midden 20ste eeuw. Die personen worden daarbij niet alleen om hun individuele opvattingen en handelingen bestudeerd, maar leveren ook een venster op de politieke cultuur en het historisch besef van de tijd in het algemeen: waarom was Colijn zo populair, niet alleen bij ARP’ers maar ook bij liberalen? Het antwoord gaat verder dan de charismatische persoon van Colijn, maar staat niet los van de deugden die hem werden toegeschreven en die hem tot een politieke figuur maakten die zijn zuil kon ontstijgen en van nationale betekenis kon zijn.
            De titel verwijst naar Colijn en naar de sabel die hij voor zijn militaire verrichtingen in Nederlands-Indië kreeg; maar de grote figuur in deze bundel is eerder Abraham Kuyper – ook Colijns lancering als nieuwe voorman van de ARP is in laatste instantie niet onafhankelijk van deze torenhoge persoonlijkheid, wiens schaduw zo ver reikte dat niemand er echt aan kon ontkomen. Kuyper zien we op de meest verschillende manieren in actie: als hij gedurende de Schoolstrijd de grenzen opzoekt van het parlementaire systeem door in 1878 “de natie van elke verplichting jegens de Staten-Generaal ontslagen” te beschouwen (35); als hij in 1903 juist aan de kant van de macht staat en de Spoorwegstaking met vaste hand neerslaat; als hij na zijn kabinetsperiode een reis “om de oude wereldzee” maakt en een meer-dan-vuistdikke beschouwing schrijft over de islam en de oosterse cultuur in het Middellandsezeegebied.
            Maar vòòr dat alles wordt Kuyper in deze bundel geïntroduceerd als een romanticus; als een figuur met een profetisch roepingsbesef, met gevoel voor drama en absolute tegenstellingen; een radicale conflictzoeker, die zich in al die opzichten vruchtbaar met Multatuli laat vergelijken. In de balans is Kuyper Multatuli uiteindelijk wel de baas – hij is een completer persoonlijkheid, combineert immers zijn romantische persoonlijkheid met een realisme dat hem in staat stelt zijn idealen ook in de praktijk te brengen; en heeft dat misschien iets te maken met het andere verschil, dat Kuyper dankzij de “onschatbare gave” van het geloof (Kuypers woorden) in staat is zijn leven richting te geven ondanks zijn complexe persoonlijkheid? Het calvinisme “plaatste de gebrokenheid van het menselijk bestaan, voor de romanticus een bron van Weltschmerz, in een zinvol theologisch perspectief, en bood hem uitzicht op verzoening, zuiverheid en harmonie.” (19)
Het is door deze korte, knappe profielschets dat De Bruijn Kuyper in al zijn latere gedaanten – oproerkraaier, machtspoliticus, intellectueel – begrijpelijk weet te maken. Overal is het de calvinistische romanticus die aan zijn ideaal bouwt.
Als Kuyper in deze korte bespreking de andere figuren in de bundel overschaduwt, is dat overigens niet de schuld van De Bruijn, die ook zeer interessante stukken wijdt aan andere christelijke politici – De Savornin Lohman en zijn ingewikkelde verhouding tot Kuyper, de oud-premier Gerbrandy als (voor zijn fractiegenoten) nogal onmogelijk Kamerlid, et cetera – en de ijverige dominee Leendert Schouten, die zichzelf ‘mild rechtzinnig’ noemde maar daarbij volgens De Bruijn vaak weinig van mildheid liet blijken. Toen de toga werd ingevoerd, trok Schouten de behoudende gemeenteleden van Middelburg naar zich toe door koppig zijn oude ambtsgewaad te blijven dragen. De ironie: “veel Middelburgers die bij Schouten kerkten keerden overigens al spoedig op hun schreden terug, toen zij merkten dat deze traditionalist tijdens de kerkdienst graag gezangen liet zingen, wat in hun ogen een niet minder verwerpelijke vorm van nieuwlichterij was.” (96)
De christelijke dominees en politici die De Bruijn bespreekt, zijn alle kleurrijke figuren. Of het nu de sabel van Colijn, het ambtsgewaad van Schouten of de visie van Kuyper is die daarbij op de voorgrond treedt, mag de lezer zelf weten (al is de voorkeur van de recensent ongetwijfeld evident) – de artikelen in de bundel zijn oorspronkelijk afzonderlijk gepubliceerd en laten zich dus ook prima los van elkaar lezen.
 
Jeoen Bouterse M.A.
j.bouterse@hotmail.com
 
Trefwoorden: Nederland, Nieuwe tijd, Abraham Kuyper, Colijn, Multatuli, Christelijke politiek