De Arminiaanse vredeskerk
Redevoeringen van Jacobus Arminius (1606) en Simon Episcopius (1618) over de onderlinge verdraagzaamheid der christenen
Simon Vuyk (inleiding en vertaling) (Inleiding en vertaling)
110 pp, € 15,-
isbn/issn: 978-90-8704-465-7
geïllustreerd

De Arminiaanse vredeskerk

(recensie: Jeroen Bouterse)

Simon Vuyk (inleiding en vertaling), De Armiaanse vredeskerk. Redevoeringen van Jacobus Arminius (1606) en Simon Episcopius (1618) over de onderlinge verdraagzaamheid der christenen. Hilversum: Verloren 2015, 110 pp., geïllustreerd, ISBN 978-90-8704-465-7, € 15,-

 
  

Een redevoering van Arminius in Leiden uit 1606, en een van Simon Episcopius bij de Synode van Dordrecht in 1618 – twee remonstrantse betogen dus, al is die term in 1606 nog een anachronisme. De teksten gaan, zo licht Vuyk in zijn voorwoord toe, nu eens niet over predestinatie, maar over verdraagzaamheid in de kerk.
Het boekje is helder ingedeeld: een algemene inleiding op de Reformatie en de Opstand in de Nederlanden, die een aanloop vormt op de Bestandstwisten, en daarna de twee lezingen, elk voorafgegaan door een uitgebreidere inleiding op de omstandigheden waarin die werden uitgesproken. De introductie op Episcopius loopt daarbij om onduidelijke redenen de periode tussen 1606 en 1619 eigenlijk twee keer langs (op pp. 71 t/m 75 en daarna stapsgewijs op pp. 75-81), maar in het algemeen zijn de begeleidende teksten informatief en nuttig – zowel in het bieden van de noodzakelijke context, als in het toelichten van de bundeling van juist deze twee lezingen.
Die toelichting komt er zoals gezegd op neer dat beide heren een pleidooi houden voor verdraagzaamheid en ruimte voor verschillen binnen de kerk. Wat dat precies beduidt, vereist echter een nauwkeurige lezing van de teksten; de Arminianen, vooral Arminius zelf, zullen ook goed duidelijk maken welke implicaties hun tolerantie allemaal niet heeft. Arminius begint zijn betoog, nadat hij het heeft ingeleid, bovendien juist met de opmerking dat eendracht een groot goed is – zijn hele lezing is gericht tegen tweedracht.
Voor die tweedracht heeft Arminius een interessante reeks verklaringen – Vuyk besteedt in zijn inleiding terecht aandacht aan de “mentale uitrusting” waarmee Arminius het kwaad benadert (p. 25), die volgens hem tamelijk modern is in de centrale rol die mensen daarin hebben, boven demonen. Zeker vallen de rust en distantie op waarmee Arminius het verfoeide fenomeen van ‘tweedracht’ analyseert en psychologiseert. Er is iets aan godsdienst, zo peinst hij; er is iets aan het feit dat religie over zoiets gezaghebbends gaat als God, dat het moeilijker maakt om in religieuze zaken concessies te doen. Godsdienst kent geen ‘Lesbische meetlat’ – een verwijzing naar de buigzame loden linialen uit Lesbos die Aristoteles noemt in zijn Ethica Nicomachea (V.10, 1137b30), die staan voor het idee dat regels enigszins flexibel zijn, en gebonden zijn aan omstandigheden.
God laat zich niet buigen, wil Arminius maar zeggen, en dat op zichzelf juiste inzicht maakt mensen die zich ondergeschikt wensen aan God ook onbuigzaam. Ook de hoge inzet maakt mensen compromisloos: een concessie doen aan de vijand zou zomaar het eigen eeuwig leven in gevaar kunnen brengen. Bovendien weten machthebbers hoe ze deze menselijke eigenschap kunnen inzetten voor hun belangen.
Maar deze maatschappelijke dimensie is niet het relevante kwaad; de ernst van tweedracht zit ‘m in de wanhoop die ze veroorzaakt – doordat alle zekerheden inzet lijken van strijd, zijn mensen juist geneigd de zoektocht naar zekerheid op te geven. Ze worden ongodsdienstig of – en dat vindt Arminius niet minder erg! – gaan denken dat het God misschien wel om het even is hoe Hij vereerd wordt. Als die opvatting eenmaal post vat, sust dat de gewetens, en zeer ten onrechte; want “aangezien God geen andere verering aangenaam is dan die Hij heeft voorgeschreven, beloont Hij ook geen andere” (p. 38). De inzet bij de kwestie van eendracht of tweedracht in de kerk is het heil van de christenen; wat zijn de precieze oorzaken van conflict, en wat is de oplossing?
De oorzaken hebben indirect te maken met de christelijke leer, die zo in strijd is met de menselijke natuur dat men extra geneigd is haar te vervormen. Maar de werkelijke oorzaak is allereerst Satan – en als dat hoge woord er eenmaal uit is, volgt een catalogus van de relevante handlangers van Satan: zonden als Trots en Hebzucht, die zo gepersonifieerd en verzelfstandigd worden dat de tekst haast een demonologie wordt. Vuyk kan Arminius dan wel met recht modern noemen, maar hier heeft een morele, spirituele en religieuze duiding van het kwaad toch een sterke voorrang boven een psychologische. Natuurlijk blijft de mens daarbij verantwoordelijk.
Maar wat houdt de tweedracht, als die eenmaal is gezaaid, in stand? Hier haalt Arminius vooroordelen aan – vooroordelen over de boosaardigheid van onze tegenstanders, en over de onfeilbaarheid van onze voorvaderen. Hierdoor worden we hardnekkig, en bang om zelf te erkennen gedwaald te hebben.
De grote vraag is uiteindelijk wat de oplossing is. We weten nu al dat gemakkelijke uitvluchten – zeggen dat geloof zonder kennis volstaat, dat ieder op zijn manier zalig kan worden, of dat controversen überhaupt verboden moeten worden – niet het gewenste effect hebben, en juist elke kans op de zo gewenste eendracht ondermijnen. De rooms-katholieke antwoorden op scepsis – pauselijk, kerkvaderlijk of conciliair gezag – werken om dezelfde reden ook niet; het enige middel van de “roomse papen” dat wel effectief lijkt, is het uitmoorden van tegenstanders, zegt Arminius smalend (p. 57). Ook hopen dat tegenstellingen door wonderen worden beslecht, is naïef; we dwalen allemaal, dus hoe zou God iemand van ons kunnen aanwijzen als degene die de waarheid in pacht heeft?
Wat wel werkt, is gebed (dat mag zelfs worden verplicht) en het bestrijden van hartstochten; en hierbij valt op hoeveel aandacht Arminius besteedt aan het belang van het verzachten van het oordeel over anderen die dwalen. De waarheid vinden is zo moeilijk, en dat onze tegenstanders dwalen, betekent niet dat God ze verdoemd heeft – integendeel; hun redding kan des te glorieuzer zijn. Arminius vraagt zijn toehoorders zich in te leven in het standpunt van de tegenstander, en ook de gedeelde opvattingen in het oog te houden. Dit loopt naadloos over in een aanmoediging om op een synode vrijelijk, en met procedures die gericht zijn op waarheidsvinding, geschillen te beslechten met de bijbel als enige toetssteen – zónder dat de uitkomst aan anderen wordt opgelegd.
Arminius’ redevoering is een zeer interessant document van een discours over eenheid en verscheidenheid, waarheid en dwaling, kerkgemeenschap en individuele gelovige, waarin goed te zien is wat de reikwijdte en de grenzen zijn van Arminiaanse religieuze tolerantie. Tegenover Arminius’ oproep tot zachtmoedigheid, verdraagzaamheid en tot ruimte voor meningsverschil en vrije discussie staan een bevestiging van het Sola Scriptura-beginsel, van de noodzaak om God op de juiste manier te eren, en van de absolute noodzaak om in religieuze zaken diversiteit niet als uitkomst te aanvaarden maar altijd naar de waarheid te blijven zoeken. Of beter gezegd: dit alles zou niet tegenover elkaar moeten staan, maar naast elkaar – verdraagzaamheid en waarheidsvinding gaan bij Arminius juist hand in hand.
Inderdaad datzelfde discours hanterend probeert Episcopius dan twaalf jaar later op de Synode van Dordt te redden wat er te redden valt: hij houdt de vergadering voor dat de remonstranten nu juist de hele tijd zo hun best hebben gedaan om de kerk bij elkaar te houden, door verschillen niet op de spits te drijven. Als dank hebben hun tegenstanders het tegenovergestelde gedaan en de mensen wijs gemaakt dat er achter alle controversen een epische strijd tussen orthodoxie en ketterij zat. Een misleiding met een politiek doel: “het eenvoudige, gewone volk is niet in staat om zulke grote onlusten en oproeren op gang te brengen, tenzij er mensen opstaan die deze door hun aanzien en voorbeeld opwekken en in beweging brengen” (pp. 97-98).
De crux van Episcopius’ betoog is dat de synode niet de ruimte om te zoeken moet wegnemen; men moet niet op elke punt en komma volkomen overeenstemming afdwingen, want dat machtsmiddel schept juist ketterijen en schismata, door “dikwijls geringe, niet noodzakelijke punten van verschil spoedig met het etiket van de grootst mogelijke ketterij verdacht [te maken]” (p. 103). Dit sluit inderdaad nauw aan bij de strekking van Arminius’ betoog; het gaat om redevoeringen van twee gelijkgestemden, met als cruciaal verschil (Vuyk) “dat Episcopius pleitte voor een verloren zaak” (p. 10).
Dit maakt Episcopius’ pleidooi op de Synode tot een toepassing, in een veel urgentere situatie, van een perspectief dat Arminius ruim een decennium eerder onder veel betere omstandigheden had kunnen uitwerken. Vuyk heeft deze Latijnse teksten met een mooi effect bij elkaar gebracht en ze verder zeer leesbaar vertaald (die van Arminius vooral via een reeds bestaande Engelse vertaling, maar niet zonder ook goed naar het Latijn te kijken) en kundig ingeleid en geannoteerd. Eenmaal zo goed toegankelijk zijn deze redevoeringen absoluut en ruim de moeite van het lezen waard.

Jeroen Bouterse M.A.
j.bouterse@hotmail.com

Trefwoorden: Nederland, 17e eeuw, Kerkgeschiedenis, Remonstranten, Arminius, Episcopius, Tolerantie