Doopsgezinden tijdens de tweede wereldoorlog
Doopsgezinde bijdragen, nieuwe reeks nummer 41, 2015
Jelle J. Bosma , Alle G. Hoekema en Daan de Clercq (red.) (onder redactie van Jelle Bosma e.a.)
Doopsgezinde Historische Kring
409 pp, € 35,-
isbn/issn: 978-90-8704-526-5
geïllustreerd

Doopsgezinden tijdens de tweede wereldoorlog

(recensie: Drs.Paul Hendriks)

 

Jelle J. Bosma , Alle G. Hoekema en Daan de Clercq (red.), Doopsgezinden tijdens de tweede wereldoorlog,  Doopsgezinde bijdragen (Amsterdam, Doopsgezinde Historische Kring, 2015, Nieuwe reeks, nummer 41, Hilversum, Verloren, 2015), 409 pagina’s, geïllustreerd, ISBN 978-90-8704-526-5, € 35,-
 
In deze bundel staan bijdragen over diverse doopsgezinde gemeenten in het land, over goede en foute predikanten en over de positie van het seminarie tijdens de nazi-bezetting. Sommige artikelen zijn uitgewerkte versies van lezingen die op de Doopsgezinde Historische Kring-bijeenkomst van voorjaar van 2014 in Wageningen werden gehouden. De reeks kent enkele vaste (eind)redacteuren: Jelle Bosma en Daan de Clercq. Voor dit bijzondere nummer trad Alle Hoekema op als gastredacteur. Hij schreef bovendien enkele artikelen, bijvoorbeeld over de doopsgezinde Gemeente Den Haag, die haar predikant Albert Keuter (met diens zoon Barend) verloor, omdat zij als verzetsstrijders werden gedeporteerd naar Bergen-Belsen.
De opzet en uitgave van deze bundel getuigen van een prijzenswaardige poging door een religieuze groepering om op een evenwichtige manier verslag te doen van het wedervaren van deze stroming, haar aanhang en haar voorgangers in de periode vlak voor en tijdens de bezetting. In de inleiding wordt overigens nadrukkelijk gesteld dat dit themanummer niet bedoeld is als een verantwoording, maar als poging om witte plekken in te vullen in de toch al lapidaire kennis over de oorlogstijd (p. 11). In dezelfde inleiding worden ook vragen gesteld die beantwoording verdienen en waarop het antwoord niet in deze Bijdragen is verwerkt: de vraag bijvoorbeeld naar het lot van de Joodse leden van doopsgezinde gemeenten en hoe groot hun aantal was. Er moet een lijst met namen ingeleverd zijn bij de Duitse Behörden, toen nog de hoop bestond dat ze als christenen onder voorwaarden gevrijwaard konden worden van deportatie. Die lijst, op zichzelf al fragwürdig, is niet terug te vinden in doopsgezinde archieven (p.11). Een noot van de redactie, achter de vraag naar het lot van de Joden toegevoegd, verwijst naar een boek van J.M. Snoek over De Nederlandse kerken en de Joden. Dit boek dateert uit 1998. Wanneer ik uit eigen bezit J. Michman, H. Beem en D. Michman, Pinkas.Geschiedenis van de Joodse gemeenschap in Nederland open sla (1999), staat daar op pagina 192 een stuk over het lot van gedoopte joden, waaronder 3000 geregistreerde protestanten. Protestantse joden mochten in principe legaal in Nederland blijven. De helft van de 3000 protestanten heeft de bezetting legaal in Nederland doorgebracht en overleefde. 500 werden vanuit Westerbork naar Theresienstadt gezonden, 1000 overige verbleven in Westerbork in een aparte barak en een deel overleefde de oorlog en een deel werd op transport gezonden. In het werk van Pinkas zijn de protestanten niet naar kerkgenootschap onderverdeeld. De door de redacteur opgeworpen vraag is interessant en zou te beantwoorden moeten zijn via lokale kerkregisters.
De bundel bevat 17 bijdragen, waaronder een zestal biografieën, en aan het slot een fotokatern, een lijst van doopsgezinden met een Yad Vashem onderscheiding en een bibliografie van publicaties gewijd aan het thema doopsgezinden en de Tweede  Wereldoorlog.
Voor de bespreking heb ik gekozen voor de bijdrage van mevrouw M. Hoogewoud-Verschoor: `‘Oog voor de stoffelijke en geestelijke nood.’ De Vereenigde Doopsgezinde Gemeente Haarlem 1940-1945’ (pp.17- 67) en voor het artikel van Gabe G. Hoekema: ‘Idealisten en baasjes met oogkleppen voor. Voorgangers van doopsgezinde gemeenten die van 1933 tot 1945 aangesproken werden door het gedachtegoed van de NSB of tijdens de oorlog meewerkten met de Duitse bezetter’(pp. 183- 247). Deze keuze is deels ingegeven door het feit dat Haarlem mijn woonplaats is en deels doordat met het noemen van de Yad Vashem onderscheidingen en het wegvoeren van de Haagse predikant Keuter en diens zoon naar een concentratiekamp al aandacht is besteed aan de ‘goede’ kant.
De doopsgezinde historie van Haarlem gaat terug tot de zestiende eeuw en is goed gedocumenteerd. Dr. Simon Verheus heeft 400 jaar geschiedenis van de doopsgezinden in Haarlem beschreven over de periode 1530 – 1930. Dr. Verheus stopte bewust bij 1930, omdat hij van mening was dat het goed is om enige afstand tot je onderwerp te nemen en de oorlogsperiode voor hem persoonlijk bovendien een onverwerkte last was (p.17). Mevrouw Hoogewoud-Verschoor pakt de draad op. In de jaren voor de bezetting had de gemeente een drietal predikanten, waaronder C.B. Hylkema. Deze laatste was enthousiast fascist en nationaalsocialist en vooraanstaand lid van de NSB. In 1934, twee jaar voor zijn emeritaat, schreef hij de brochure Het Nederlandsch fascisme. Dit gaf uiteraard aanleiding tot discussie en tweespalt binnen de gemeente. De opvolger van Hylkema als predikant, IJntema, schreef in het Doopsgezind jaarboekje van 1936 een artikel onder de titel `Modern heidendom’.Hierin trok hij fel van leer tegen het nationaalsocialisme. Haarlem lijkt representatief voor de doopsgezinde gemeenschap in Nederland en misschien wel voor de hele protestantse gemeenschap. In Haarlem werden vluchtelingen, Joods en niet-Joods, opgevangen en er waren NSB-ers en verzetsstrijders te vinden.
De NSB richtte haar propagandapijlen reeds vroeg op conservatieve gemeenschappen en trachtte onder andere protestantse christenen te overtuigen van het fatsoenlijk karakter der beweging. In hetzelfde jaar waarin Hylkema Het Nederlandsch fascisme publiceerde, verscheen bij NeNaSu in Utrecht van de hand van J.H.L de Bruin: Het Christelijk karakter der N.S.B. Ik sluit overigens niet uit dat het deze NSB-brochure is waar Gabe Hoekema op pagina 195 naar verwijst, wanneer hij schrijft: “Volgens Homan schreef Hylkema ook een brochure: De N.S.B. en ons christelijk volkskarakter. Dit werk is door mij echter nergens aangetroffen, wat uiteraard niet betekent dat het niet heeft bestaan” (p.195). Vader en zoon Hylkema waren beiden vooraanstaand lid der NSB en schreven samen diverse brochures, waaronder: De vrouw in de nieuwe maatschappij (NeNaSu Utrecht) en Ras en Toekomst.
Doopsgezinde Bijdragen heeft mij als lezer aangenaam verrast en mijn blik verruimd. Mijn vooroordelen ten aanzien van eigen publicaties van kleine kerkgenootschappen zijn weggenomen doordat ik hier een degelijk, fris en zelfkritisch werk in handen heb. Complimenten voor de redactie en de auteurs. Ik hoop met mijn recensie enkele vragen van de schrijvers te helpen beantwoorden en zo een bescheiden bijdrage te leveren aan de historie van deze oude en boeiende stroming in protestants christelijk Nederland.
 
Drs. Paul Hendriks
meesterpaul@gmail.com
 
Trefwoorden: Nederland, 20e eeuw, Doopsgezind, NSB, Tweede Wereldoorlog, Haarlem, Joden