Oudheid als ambitie
De zoektocht naar een passend verleden 1400-1700
Karl Enenkel en Koen Ottenheym
349 pp, € 29,95
isbn/issn: 978-94-6004-325-3
rijk geïllustreerd

Oudheid als ambitie

(recensie: Drs. Martha Catania-Peters)

Karl Enenkel & Koen Ottenheym, Oudheid als ambitie. De zoektocht naar een passend verleden 1400-1700 (Nijmegen: Uitgeverij Vantilt, 2017, 349 blz., rijk geïll., ISBN 978-94-6004-325-3), € 29,95

Heb ik iets gemist? Is het begrip Renaissance uit de gratie? Nee, daar is het dan eventjes op bladzijde 14. Maar dit boek gaat over Oudheid als ambitie, een zeer passende titel, maar je zou hem ook als equivalent van ‘Renaissance’ kunnen opvatten. Die aanduiding van het tijdperk vinden de schrijvers te veel verbonden met alleen de archeologische centra Rome, Athene, en de monolithische ‘klassieke’ oudheid. Het gaat hen om nuancering: de verschillende oudheden, die in verschillende gebieden in Europa tot verschillende toepassingen hebben geleid.
Je zou ook kunnen zeggen, dit boek belicht een ander aspect van de Renaissance, een minder hoogverheven, meer prozaïsch gebeuren van menselijke ijdelheid en pogingen om nieuwe instellingen en machtsaanspraken met een hoge ouderdom, of oude geschiedenis te legitimeren, liefst vanaf de zonen van Noach, Odysseus of de Trojanen (vooral Aeneas), Etrusken, Romeinen, Goten of Bataven als stamvaders. Diverse plaatselijke ‘Renaissances’ dus, hoewel de schrijvers dat woord niet gebruiken. Ze willen aantonen dat er overal in Europa en dus niet alleen in Rome en Florence, op diverse wijzen een verhevigd teruggrijpen was op oudheden, op antiquitas, maar dat kon ook gaan om middeleeuwse kastelen, die nagebouwd werden in de Republiek door de nieuwe elite die zich een adellijk verleden wilde verschaffen. Als het maar oud was, of oud leek, hoe ouder hoe beter, dat was wel de vuistregel.
Het was ook zeker geen overbodige luxe om zich een verre voorgeschiedenis aan te meten, want de concurrentie deed dat ook. Er zat een enorm competitief element in de zoektochten naar een passend verleden. De ambitie, aangewakkerd door sterk wisselende politieke en territoriale verhoudingen, was ook om ouder te zijn (of te lijken) dan…, een oudere stad dan Rome, een oudere stad dan Dordrecht, een ouder volk dan de Romeinen, of juist zichzelf te plaatsen in de Romeinse traditie, zoals de Bataven, ‘vrienden’ van de Romeinen, of anders wel in een Romaanse traditie, of een Trojaanse.
De twee schrijvers concipieerden drie delen. Het eerste deel gaat over ‘Denken over oudheden van Europa’ (pp. 22-137), en werd gezamenlijk geschreven, een hele prestatie. Het tweede deel behandelt ‘Humanisten en de oudheden in de Noordelijke Nederlanden’ (pp. 136-203). Het derde deel gaat over ‘Het ridderlijke verleden in de Republiek’ (pp. 204-291). De eerste hoofdstukken van de laatste twee delen zijn door Karl Enenkel geschreven, de overige hoofdstukken daarvan door Koen Ottenheym.
De auteurs illustreren en verduidelijken in hun drie delen (Europa, Noordelijke Nederlanden, en de Republiek) vaak aan de hand van objecten en kunstvoorwerpen uit de besproken periode, de toegenomen behoefte aan oudheid met de ontdekking ervan. De archeologie bijvoorbeeld begon in de vijftiende eeuw pas zo’n beetje aan een opmars. Zo stimuleerde de nieuwe pauselijke staat in Rome, waar men zich na de terugkeer van het pausdom uit Avignon wilde legitimeren met bewijzen van anciënniteit, het ontluikend archeologisch onderzoek van de ruïnes van Rome. Wel een probleem van kip en ei: wat was er eerder, de behoefte aan oudheden of de (her)ontdekking ervan?
Wat dit boek pijnlijk duidelijk maakt, is dat men in de periode 1400-1700, vooral in de eerste helft daarvan, nog zo ontzettend weinig wist over de klassieke Oudheid. Dat is verbazingwekkend, als je tot nu toe naïef in een ‘Renaissance’ van de klassieke Oudheid, haar literatuur, wetenschap en architectuur heb geloofd. Men had ten eerste geen idee van de ouderdom van de wereld. Deze was rond 4000 voor Christus geschapen, dacht men, en vanaf de zondvloed tot de eigen tijd rekende men ook zo’n 4000 jaar. Daarbij had men geen notie van verschillende periodes. De klassieke oudheid was één gelijkvormig tijdbestek, afgezien van de notie ante legem- sub legem- sub gratia. Men zag in de klassieke architectuur ook geen stijlverschillen. Hierdoor was de datering van gebouwen hopeloos en sloeg men de plank ook vaak mis wat betreft functie. Archeologie was nog geen wetenschap, daar kon je dus alle kanten mee op. En men maakte veel gebruik van de etymologie, dus Etrusken -> Tuscen-> Toscane, en Brutus-> Britagne, etc. Daarin was men erg bedreven.
En omdat men zo weinig wist, was er ruimte voor vergissingen en fantasievolle invulling van ontbrekende afstammingsmythes en fraaie voorgeschiedenissen. Zelfs… nee, vooral humanisten lieten zich hiermee in. Zo publiceerde meester vervalser Annio da Viterbo klassieke werken, ‘tekstedities’ die hij van commentaar voorzag en waarvan je uit de klassieke literatuur kon begrijpen dat ze hadden bestaan. Je vraagt je dan wel af hoe zo’n schrijver zichzelf in de spiegel keek, na weer zo’n fantastisch geconcipieerde geschiedenis van stad of staat, en wat niet al een goede oude oorsprong kon gebruiken.
In de paragraaf getiteld: ‘En wie geloofde dat?’ (p. 133), wordt uitgelegd dat het lezerspubliek nog te weinig kennis van zaken had om tot een kritische beschouwing in staat te zijn. Aardig in verband met Da Viterbo ’s werken is de opmerking dat “de inhoud daarvan voor velen te mooi was om niet waar te zijn” (p. 129). Maar de humanisten hadden zelf ook wel een hoofdstuk mogen krijgen met als titel: ‘geloofden ze het zelf’? Hier en daar horen we iets over hun motieven. Zo zouden allerlei voorbeelden in het boek laten zien dat “…het onderscheid tussen onwetendheid, vergissing, fantasierijke interpretatie en bewuste vervalsing in enkele gevallen wel, maar lang niet altijd evident is. Het zou een anachronisme zijn om elke misvatting uit die periode als een vervalsing aan de kaak te stellen” (p.135)
De verwarring had vreemde consequenties. Zo dacht men dat de architectuur in de oudheid vooral gekenschetst werd door dikke muren en bogen. Pilaren had men nog niet zo in het vizier. Hierdoor werd een aantal middeleeuwse gebouwen gedateerd in de Oudheid. Ook werden er ‘classicistische’ gebouwen ontworpen, die teruggingen op een verkeerde interpretatie van Vitruvius, zoals een plomp Renaissance-paleis te Rome laat zien. Romeinen en Trojanen, die men zich zo graag als voorouders wenste, werden uitgebeeld in harnassen van middeleeuwse ridders. Dirk I, graaf van Holland, werd geportretteerd met een soort tulband, waarmee de graveur een Trojaanse afstamming wilde illustreren. En in het geheimzinnige Stonehenge zag men de resten van een Romeinse tempel (toch de pilaren).
Het boek komt voort uit het onderzoeksproject The Quest for an Appropriate Past, gefinancierd door de KNAW. De laatste twee delen, over de Noordelijke Nederlanden en de Republiek, zijn nog gedetailleerder in hun uitwerking dan het eerste deel. En ineens gaat het daar ook over onze vaderlandse geschiedenis, Erasmus, graven van Holland, Opstand, Willem van Oranje, allemaal in de context van het onderwerp van het boek; maar voor de lezer kan het lastig zijn, deze Vaderlandse geschiedenis met oudheden te associëren. De schrijvers zijn in hun opzet geslaagd. De (onbewuste) notie dat onze zompige gebieden en andere Europese regio’s ten tijde van de Reformatie hier weinig mee van doen hadden, zal moeten worden herzien. En misschien moeten we dan toch ook op zoek naar een nieuwe naam.

Drs. Martha Catania-Peters, Czaar Peterstraat 7a, 1018 NW Amsterdam


Trefwoorden: Nederland, Europa, Italië, Oudheid, Archeologie, Reformatie, Architectuur, Humanisme, Cultuurgeschiedenis